Gepost door: dejister | 19 oktober 2015

Interview met Arne Eickenberg, auteur van Die sechste Stunde

HET EVANGELIE ALS HYPERTEKST

‚Merkwaardige streken, vreemde contreien

De wonderen en natuurrampen in het lijdensverhaal van Christus gaan terug op de gebeurtenissen bij de dood van Julius Caesar. Een interview met Arne Eickenberg, auteur van het boek Die sechste Stunde.

416-hjbrk6l-1
inzage

article about book

Interview auf Deutsch

DE JISTER: Hoe kwam u op het idee om tussen de natuurrampen bij de dood van Caesar en die bij Christus parallellen in de teksten te veronderstellen?

Arne Eickenberg: Tot mijn geluk hoefde ik niets te veronderstellen, want er waren vóór mij al historici en theologen die een directe parallelliteit hadden vastgesteld, overigens niet alleen wat het lijdensverhaal betreft. Vanaf het begin was er natuurlijk die merkwaardige duisternis op ‘het zesde uur’, maar ook het beven van de aarde. Wat de andere voortekens en wonderen aangaat, wordt het voor wat betreft de receptiegeschiedenis moeilijk, we kunnen immers niet in het brein van de onderzoekers kijken: bij Wettstein bijvoorbeeld, een Zwitsers theoloog en tekstcriticus, staan in het tekstkritisch apparaat van het evangelie zeer veel Griekse en Romeinse parallellen, maar hij houdt zich op de vlakte en pint zich er niet op vast. Hij presenteert ze neutraal, zonder er een waarde aan toe te kennen. Was hem of andere onderzoekers misschien iets opgevallen, maar hadden ze liever maar gezwegen? Zou kunnen, we weten het gewoonweg niet. In ieder geval was ik daarmee in een relatief veilige positie. En wanneer anderen deze weg al voor een stuk hadden bewandeld, waarom zou ik dan de weg kwijtraken? Weliswaar was de zaak flink overwoekerd, maar er liep een pad.

‘…een lange duisternis van meerdere uren, in ieder geval vanaf ‘het zesde uur’, en ook als teken bij een dood. Hier is sprake van een overduidelijke parallel tussen Caesar en Christus…’

DE JISTER: Heeft één onderzoeker in het bijzonder u op het spoor gebracht?

Arne Eickenberg: Het is Francesco Carotta geweest die de overkoepelende werkhypothese heeft ontwikkeld. Maar in mijn geval waren het ook de primaire bronnen die een indicatie gaven. Het meest in het oog springende was het Vergiliuskommentaar van Servius, waar er sprake is van een duisternis, in ieder geval een lange duisternis van meerdere uren, en eveneens vanaf ‘het zesde uur’, en ook als teken bij een dood. Hier is sprake van een overduidelijke parallel tussen Caesar en Christus en de tekstbehandeling van de eerdere onderzoekers is, om het diplomatiek uit te drukken, ietwat bevreemdend. Zelfs samenzweringstheorieën werden niet geschuwd. Sommigen hebben het doodgezwegen, anderen gingen er vanuit dat de Serviustekst een vervalsing was, maar de meeste onderzoekers hebben het gewoonweg van tafel geveegd.

DE JISTER: Hoe is het mogelijk dat deze teksten zich zo tot elkaar verhouden?

Arne Eickenberg: Nu moet ik een beetje uitweiden. Het sleutelwoord is hier de intertekstualiteit. Vandaag spreken we, in het voetspoor van de Franse taalkundige Genette, van hypertekstualiteit. De wonderen tijdens de kruisiging, beschreven in het lijdensverhaal, worden inmiddels niet meer als historisch gezien. Daarover bestaat consensus, ook bij de theologen. Maar ergens moet toch die hele santenkraam ontstaan zijn. Dat het uit het niets zou komen, dat is niet realistisch. Dus moet het literair al hebben bestaan. En dat betekent dat de evangelisten en alle andere christelijke auteurs reeds bestaande teksten als een blauwdruk gebruikt hebben: mythen en legenden, profetieën, folklore enzovoort.

Uit die eerdere bronnen heeft men de eigen christelijke lijdensmythen geknutseld. Volgens deze opvatting was het dus een intertekstueel fenomeen waarmee velen konden leven. Maar zo kon er ook vrolijk op los worden gespeculeerd. Iemand veronderstelt: ze hebben een beetje van Homerus overgeschreven, een ander meent dat tekstgedeeltes teruggrijpen op koning Romulus, weer anderen stellen: het is een heterogeen mengsel van diverse heidense en Joodse legenden.

Velen beweren echter dat het een typologisch fenomeen was. Dat betekent feitelijk niets anders dan dat de theologen een hypothese bedenken en er dan maar van uitgaan dat die evangelisten precies zo dachten als zij. Ze moeten zich van de Joodse bijbel hebben bediend, zoekend naar oude profetieën en dan deze in het lijdensverhaal hebben ingepast…  en pronto: we hebben een vervulling in Christus, ex post facto.

‘…wanneer het vat ‘intertekstualiteit’ wordt aangeslagen, dan ligt het in de rede dat men ook de bronnen aangaande Caesars dood bestudeert, want daarin vinden wij alle wonderen terug…’

Maar wat precies die Joodse oerteksten nu waren kunnen de theologen ons niet vertellen. Overal zijn er vermoedens, bijvoorbeeld in het boek Amos. Maar hard maken kunnen zij die niet. Helaas hangt daar ook vanaf, hoe we het lijdensverhaal moeten duiden. Is God aanwezig, is hij afwezig, heeft hij verdriet, neemt hij wraak, is het een voorproefje van de dag des oordeels, van de zogeheten dag des Heren, is het structuur, is het chaos, is het een visioen van de eindtijd of nog van de tijd van vóór de schepping? Het maakt niet uit hoe je het theologisch wendt of keert, vanuit het oogpunt van tekstbehandeling kan men met de Joodse bijbel alleen maar zeer vage overeenkomsten construeren. Vanuit waarschijnlijkheids-theoretische optiek is het louter toeval. En in principe is het een terugkeer naar de vroege twintigste eeuw, een periode waarin veel onderzoekers zich aan de zogenaamde ‘parallellomanie’ te buiten gingen. Daarom kon het ook gebeuren dat de theologen zich er persoonlijk bij betrokken voelden en allerlei zaken in de teksten meenden te lezen: vele ideologieën, veel persoonlijke voorliefdes, maar nauwelijks iets concreets.

Steeds horen we dat wij slechts weten dat wij niets weten. Maar iets wordt daarbij over het hoofd gezien: wanneer het vat ‘intertekstualiteit’ wordt aangeslagen, dan ligt het in de rede dat men ook de bronnen aangaande Caesars dood bestudeert, want daarin vinden we alle wonderen terug, alle voortekens, alle catastrofes: duisternis, aardbevingen, de opstanding van de doden, de verwoesting van de tempel, om er maar een paar te noemen. En het is dezelfde natuurcatastrofe. Niet een natuurramp die er op lijkt, nee, exact dezelfde.

DE JISTER: Wat zijn de belangrijkste overeenkomsten?

Arne Eickenberg: Allereerst is het de uitzonderlijke lange duisternis, vooral ook omdat deze in zo veel teksten prominent op de voorgrond staat, zowel in de Christelijke teksten als in de Caesarbronnen. Op zich is ‘het zesde uur’ een belangrijk houvast en daarom ook de titel van mijn boek. Een interessant aspect in het bijzonder bezit de opstanding der doden, in werkelijkheid de opstanding van de ‘heiligen’, zoals Mattheüs schrijft. Op het eerste gezicht is dat natuurlijk volledig onbegrijpelijk en ook voor theologen zeer moeilijk te plaatsen. Maar de opgestane doden, met inbegrip van heiligen en graven van heiligen, vinden we ook in de Romeinse teksten als belangrijke tekens bij de dood van Caesar.

DE JISTER: Maar dat is toch net zo moeilijk te aanvaarden?

Arne Eickenberg: Alleen als we het vanuit een moderne, oppervakkig-positivistische optiek bekijken. Verschijningen van doden waren er ook in de klassieke oudheid, niet veel, maar ze waren er. Ze golden als waarschuwingen, symbolen voor crises.  We mogen niet vergeten dat het overgrote deel van de mensen destijds aan wonderen en voortekenen heeft geloofd.

DE JISTER: Maar echt opgestaan zijn de doden bij Caesar toch ook niet.

Arne Eickenberg: Op het eerste gezicht niet. Maar wij kunnen het nu historisch verklaren: het was een feitelijke gebeurtenis, die alleen gemythologiseerd werd. Hoe die gebeurtenis zich voltrok, dat kan men in het boek lezen. De tekst over de opgestane doden is maar een van de bouwstenen. Andere parallellen zijn er in overvloed, de bloedrode maan bijvoorbeeld; ook het in tweeën gescheurde voorhangsel in de tempel heeft een interessante tekstuele ontstaansgeschiedenis. En we moeten in dit verband ook alle andere Christelijke teksten niet vergeten, de apocriefe geschriften, de apocalyptische teksten, de Christelijke dichters en kerkvaders. In veel van deze teksten vinden we additionele steun voor de afhankelijkheid van de Caesarbronnen. Soms zijn het buitengewone, nieuwe wonderen, soms variaties op de canonieke wonderen, maar in beide gevallen zijn ze niet te verklaren, behalve als we de Caesarbronnen in de analyse betrekken.

DE JISTER: Geldt het als een bewijs, dat de teksten over Caesar en de perikopen van het evangelie op elkaar lijken?

Arne Eickenberg: Wacht: het zijn niet zomaar gelijkenissen, ze komen volledig overeen. Wanneer het alleen maar gelijkenissen waren, dan was deze publicatie niet te rechtvaardigen geweest. Daarnaast behoor ik niet tot degenen die categorisch beweren dat wetenschappelijke theorieën niet bewezen kunnen worden, dat men ook daaraan alleen maar kan geloven. En er is natuurlijk altijd wel iemand die wat te pruttelen heeft, vooral bij het thema religie. Ik spreek liever, enigszins diplomatiek, van aantonen, van indicaties. Goed beschouwd zijn het allemaal bevindingen die in principe door iedereen kunnen worden nagetrokken. Het woord bewijs daarentegen is voor de meesten moeilijk te verteren, er zijn weinigen die het in de mond durven nemen. Ik zou het fundamenteler willen zien en stellen dat mijn boek verdere argumenten aandraagt, hele belangrijke gegevens, die aantonen dat de theorie van Francesco [Carotta] klopt. Duidelijk. Voor mijzelf is het, vanuit theoretisch oogpunt, een open-and-shut case, zoals men dat vandaag de dag zo mooi pleegt te zeggen. Maar ook al is de theorie waterdicht, scepsis ten aanzien van eigen onderzoek moet er natuurlijk altijd blijven. Men moet bereid zijn de eigen resultaten steeds weer kritisch te bezien, niet alleen het onderzoek van anderen. Alleen zo komt men verder. Het zijn merkwaardige streken, vreemde contreien, en ernaartoe loopt geen directe weg. Belangrijk is wel dat we een theorie hebben, die ook nog functioneert.

DE JISTER:  Hoe moet men uw onderzoek kwalificeren? Is het geschiedkundig, linguïstisch?

Arne Eickenberg: In zeker opzicht is het toch iets heel nieuws, nietwaar? Maar dan toch ook weer een keurige, postmoderne crossover. Oudheidkunde speelt een rol, religiegeschiedenis, primair de Christelijke geschiedenis, maar ook die van andere, antieke religies en culten; liturgie-onderzoek is eveneens belangrijk gebleken, archeologie, numismatiek, en zonder tekstkritiek, linguïstiek en filologie kan men zo’n onderzoek helemaal niet realiseren. De filologie is wel van een ongewone soort, aangezien we te maken hebben met eenvoudige geschriften, niet met die van de hoge antieke beschaving. Als lest best komt ook nog de natuurwetenschap om de hoek kijken, geologie bijvoorbeeld. Want dat ligt immers allemaal in de aard van de zaak: wanneer wij de historische, cultische en tekstuele oorsprong van een religie en zijn heilige teksten willen blootleggen, dan raakt dat uiteraard zeer vele terreinen. En juist het complex van Caesarmateriaal en dat van het christendom zijn uitermate omvangrijk en kennen zeer veel aspecten.

DE JISTER: Hoe ziet u de verhouding tussen Caesar en Christus?

Arne Eickenberg: Caesar zelf was ‘Christus’. Daarvoor lever ik in mijn boek voldoende onderbouwing. Er is dus niet sprake van een verhouding tussen Caesar en Christus, het gaat om één en dezelfde persoon in verschillende toestanden, die in zeker opzicht onherkenbaar overdekt zijn. Concreet zijn het twee verschillende literaire complexen die over Caesar geschreven werden, aan de ene kant de Romeinse hypoteksten, waaronder natuurlijk ook de geschiedschrijving, en aan de andere kant de Christelijke hyperteksten, de evangeliën etc. Het gaat dus niet om een dualisme. Christus is niet het Yin tot Caesar zijn Yang. We zien bij de ene alleen het Yin, bij de andere alleen het Yang. Het wekt slechts de indruk van een dualisme. Otto Seel, de Duitse klassiek filoloog, heeft zich over Caesar in dezelfde bewoordingen uitgelaten door te stellen dat Caesar alles was, maar vooral ook het tegendeel. Hetzelfde kan men ook over Christus zeggen. Het is hoe dan ook een paradoxale opmerking, maar ook een perfecte beschrijving van God, vindt u niet?

DE JISTER: Waarmee we bij het volgende onderwerp komen. Heeft uw onderzoek ook theologische gevolgen?

Arne Eickenberg: Eerlijk gezegd moeten de theologen dat zelf maar bepalen. Ons werk is van een andere aard. Eén vraag heeft mij trouwens de laatste tijd toch wel beziggehouden: wanneer het evangelie reeds een theologisch werk is, een ‘vertelling over God’, is dan het werk van de achtereenvolgende theologen überhaupt nog wel nodig? Zijn ze niet eenvoudigweg epigonen? Wat is de zin van een theologie van een theologie? Of met de woorden van Gérard Genette: wat is de zin van een theologie ‘van de tweede rang’? Goed, het heeft het christendom tot stand gebracht zoals we dat nu kennen, het heeft ook tot veel onzinnige interpretaties van de Jezusfiguur geleid. Maar de oorsprong van het geheel is er niet inbegrepen, de oorsprong van de theologie ‘van de eerste rang’. Zolang echter het christendom bestaat, zullen theologen altijd werk vinden. Het gaat hand in hand met het ‘amen’ in de kerk, en dat meen ik niet spreekwoordelijk. (lacht)

DE JISTER: Zou er een nieuwe theologie mogelijk zijn, die zich tot de Caesarteksten wendt?

Arne Eickenberg: Moeilijke vraag. Omdat het evangelie op zich geen history is, maar een story die uit de history van Julius Caesar is ontstaan, komt men terecht in een veld van versperringen en onzinnigheden. Waarom? De exclusieve kijk op het evangelie is dan het grote probleem, het is als het kijken door een sleutelgat. De onderzoekers kijken er door, zien slechts een klein detail, en dus wordt er geëxtrapoleerd, wild gespeculeerd over wat er nog meer achter de deur is. Maar uiteindelijk heb je toch de sleutel nodig: voor wie het echt wil weten moet de deur open. Bij een dichte deur is er niet alleen het dilemma van de a-historiciteit, maar ook, zo men wil, een anti-theologisch dilemma. Want op de ene plaats in het evangelie staat dit, en op de andere plek precies het tegendeel. Men kan de Caesarteksten erbij halen wanneer men met de Christelijke bronnen niet meer verder komt, maar of de theologen dat ooit zullen doen staat in de sterren geschreven. Het zou echter wel nodig kunnen zijn.

DE JISTER: Hoezo?

Arne Eickenberg: Goed, we nemen ons concrete geval. Als de duisternis ten tijde van de kruisiging hypertextueel uit de Caesarbronnen stamt, hoe wil je die dan theologisch juist interpreteren zonder een vergelijking met juist die Caesarbronnen? Een zuiver christelijke duiding heeft niets opgeleverd. Daar stond de duisternis, of voor treurnis, schaamte, toorn, of voor goddelijke gerechtigheid enzovoort, alles afhankelijk van de subjectieve appreciatie van de betreffende theoloog. Daarentegen was in werkelijkheid de historische duisternis een waarschuwing, een goddelijke waarschuwing. Dat is een van de mogelijke verklaringen die we in de Romeinse bronnen vinden en die liet zich voortreffelijk christianiseren ware het niet dat er een kleine kink in de kabel zat: het lijdensverhaal is ingekort, chronologisch en liturgisch ingedikt. Historisch ontstond de duisternis op het zesde uur de dag ervoor. In het evangelie gebeurt het evenwel gelijktijdig met het sterven en dus kan men, ja mag men het niet meer als een waarschuwing vooraf interpreteren.

DE JISTER: Kan men dit soort problemen wel tot een oplossing brengen?

Arne Eickenberg: Als er in de primaire bronnen geen geschikte alternatieven te vinden zijn, nee dus. Dit vraagstuk is terug te voeren op het kernprobleem van de evangeliën: het zijn hyperteksten, niet de oorspronkelijke. Ze zijn opnieuw geschreven, modern gezegd zijn het remakes en dus kun je ze eenvoudigweg niet meer in overeenstemming brengen met de hypoteksten, de oorspronkelijke teksten. Wetenschappelijk en tekstkritisch gaat dat wel soepel. Wat dat betreft zijn wij hier in het voordeel, maar wat de theologie aangaat wordt de Rubicon dan in veel gevallen overschreden, of eigenlijk de Jordaan. (lacht)

DE JISTER: Is een-naast-elkaar-bestaan misschien mogelijk?

Arne Eickenberg: Alleen wanneer wetenschap en geloof meer uit elkaar worden gehaald – althans dat is mijn mening. Het probleem is echter dat veel wat ons met betrekking tot het christendom en Jezus als wetenschappelijke resultaten aan de man wordt gebracht, in het geheel niet wetenschappelijk beargumenteerd kan worden, maar eveneens uit het geloof is ontstaan, deels ook uit een volledig modern geloof. Qua methodologie valt er zo het een en ander te bekritiseren. In alle bescheidenheid zou men kunnen zeggen: alstublieft, wij bieden u een alternatieve verklaring aan: het evangelie is het product van een diëgetische transpositie.

DE JISTER: En hoe reageert de wetenschappelijke gemeenschap op de theorie van Francesco Carotta?

Arne Eickenberg: Er is geen sprake van een wetenschappelijke gemeenschap. Okay, wat het christendom betreft en het vraagstuk van de zogenaamde historische Jezus, is er tussen wetenschappers misschien sprake van een ‘gemeenschap’. Misschien. (lacht) Men doet alsof er consensus bestaat, maar als het er op aan komt bakt elke gemeente zijn eigen broodjes. Wij kunnen evenwel al zeggen dat de individuele support voor onze theorie tot nu toe omvangrijker was dan men wellicht zou denken. En niet alleen achter de coulissen. Maar de meeste positieve reacties zijn nog erg schuchter, geheel daargelaten dat er natuurlijk ook lieden zijn die zeggen dat men ons het liefst direct in een gesticht moet stoppen. (lacht)

DE JISTER: Ergert u zich daaraan?

Arne Eickenberg: Nee, eigenlijk niet. Want dit soort reacties is begrijpelijk, niet alleen vanuit psychologisch en ideologisch oogpunt, maar ook structureel. De ‘gemeenschap’ heeft zich de laatste honderd tot tweehonderd jaar in een comfortabele hoek gemanoeuvreerd en wij passen, zowel voorin als achterin, daar totaal niet tussen. Het ronde past namelijk niet in het hoekige, behalve bij voetbal. En dus moet men eerlijk zijn en zich afvragen: wat is hier het probleem? Dat wij rond zijn? Of dat zij hoekig zijn? En als we werkelijk eerlijk willen zijn, is de vraag allang beantwoord, niet in de laatste plaats door vertegenwoordigers van de mythologische school: het hoekige is het probleem.

DE JISTER: Welke terreinen verdienen nog nader onderzoek?

Arne Eickenberg: Hoewel de theorie klopt als een bus, betekent het nog niet dat wij elk fenomeen dat wij ontdekken direct een plek kunnen geven. Veel van wat er destijds is gebeurd bij de tekstuele overlevering is nog in duisternis gehuld, met name wat de apocriefe geschriften betreft. Hierbij moet men bedacht zijn op een sterke contaminatie en, afhankelijk van het ontstaansmoment, ook op een sterke judaïsering, egyptisering of chaldeïsering. Maar de theorie is krachtig en voorspelt heel bepaalde zaken op zeer heldere en simpele wijze. Inmiddels is het evangelie volgens Markus zeer goed ontsloten. Bij de andere teksten zijn er nog vele schatten te delven. Nemen we de hele canon in beschouwing, dan hebben we nog de Handelingen der apostelen, de Openbaring van Johannes, en niet in de laatste plaats naast Markus al het ‘Sondergut’ in de andere evangeliën. Als de theorie klopt – en op dit moment ziet het er werkelijk zo uit – dan ligt hier een taak voor generaties.

arneeickenberg_042015-1

Arne Eickenberg

DE JISTER: U bent, naast historicus en milieudeskundige, ook componist. Klinkt de Mattheüspassion voor u nu ook anders?

Arne Eickenberg: Nee, want deze muziek is ontstaan in een bepaalde tijd met een bepaalde culturele achtergrond. Het is wat het is. Als ik íets heb opgestoken bij mijn onderzoek dan is het wel dat men bij het lezen van een tekst niets van zichzelf erin moet leggen. Dat laten we liever aan de theologen over. Precies zo moet men niets in een muziekstuk leggen. Ik ken de onderliggende muziekregels, van de noten tot de akoestiek, maar toch functioneert muziek ook voor mij op de eerste plaats op het niveau van de emotionaliteit, van het instinct. Muziektheologie is eerlijk gezegd niet zo aan mij besteed, als men het al zo zou willen noemen. Vanzelfsprekend is er bij Bach & co een metatekst: het is Christelijk gedefinieerde muziek, maar daarin schuilt eventueel ook het probleem. En om bij de metafoor van de muziek te blijven; de Mattheüspassion en andere vergelijkbare werken zijn een onderdeel van de religieuze echokamer in naam van het christendom. En in deze kamer zoemen al honderden jaren de afgeleide signalen rond, de echo, de resonantie, en dat heeft het originele geluid sinds lang overstemd.

‘…de schepper-God was Caesar, hij was de conditor, de ‘ktistes’, de grondlegger van de koloniën, de schepper van het rijk, de parens patriae en God van de veteranen uit de burgeroorlogen…’

DE JISTER: Christus is de echo en Caesar het originele geluid?

Arne Eickenberg:  Misschien niet de beste analogie, maar het kan er mee door. Want het christendom kon alleen ontstaan omdat het ruimte gaf aan de weerklank van het oorspronkelijke signaal. Precies zoals in de muziek. Zonder ruimte kan ze niet bestaan, niet zonder culturele ruimte, maar vooral ook niet zonder echte ruimte, zonder weerklank: klank is in werkelijkheid verklanking, muziek die langzaam wegsterft. Maar als de ruimte te groot wordt, krijgen we een probleem: dan houdt het nagalmen niet meer op en ontstaan er vele overlappingen en interferenties. Goed localiseren kan men niet meer, alles vervloeit.

DE JISTER: Schept de religie niet haar eigen ruimte?

Arne Eickenberg:  Van cultus naar cultuur, zeker. In ons geval in het bijzonder, ook wat betreft de cultivering van de ruimte, van de akker, het christendom als religie van de boeren, de keuterboeren – dat alles vinden we al bij Caesar. Maar het was de ruimte die de schepper hun gegeven had.

DE JISTER: Ik dacht dat theologie niet aan u was besteed?

Arne Eickenberg: (lacht) Het ligt allemaal zo voor de hand: de schepper-God was Caesar, hij was de conditor, de ‘ktistes’, de grondlegger van de koloniën, de schepper van het rijk, de parens patriae en God van de veteranen uit de burgeroorlogen. Vanaf het begin zit alles erin, ook die oorspronkelijke ruimte, in de meest ware betekenis van voedingsbodem. En daarna kwamen de tempels, de kerken en kathedralen, en de echo’s werden almaar luider, niet alleen in akoestisch opzicht. We moeten uit die kamer met echo’s, we moeten de ramen opengooien om het originele geluid beter te kunnen horen. En aan het eind zullen wij beseffen, dat we niet een nieuwe interpretatie van Bach & co nodig hebben, want dat is immers allemaal deel van de religieuze echo. In waarheid hebben we een nieuwe muziek nodig, steeds weer nieuwe muziek. Wellicht dat die teruggrijpt op de zeer oude muziek, maar het zal ongehoord klinken.

Interview: Jan van Friesland

Nederlandse vertaling van oorspronkelijke Duitse interview.

https://dejister.wordpress.com/2015/08/06/ein-gesprach-mit-arne-eickenberg-dem-autor-des-buches-die-sechste-stunde/

Poppenwier/Berlijn: 17. & 20. Juni 2015

Advertenties

Responses

  1. […] Quelle: De Jister | Nederlandse vertaling […]


Categorieën

%d bloggers liken dit: