Gepost door: dejister | 27 november 2012

Paradigmawissel als luxe

Opnieuw heeft Francesco Carotta een boek het licht doen zien. Het gaat hier om een bundel herziene en deels in het Duits vertaalde artikelen en voordrachten, waarvan een aantal al eerder is verschenen als wetenschappelijk artikel in andere talen. Nieuw is een artikel over Fulvia, die gezien kan worden als de moeder van het Christendom, de vrouw achter het evangelie van Marcus, achter haar echtgenoot Marcus Antonius. Carotta begint in zijn werk met een logische vraag: is er een verklaring te vinden voor het feit dat Christus enerzijds de waarachtige centrale figuur is van een mondiale cultus, maar dat anderzijds niemand, geen historicus, hem kan traceren en zijn bestaan daarom wordt ontkend?

Carotta slaat een brug tussen deze twee posities. In de traditie van de wiskunde formuleert hij een derde mogelijkheid, die recht doet aan beide standpunten en die hij als hypothese uitvoerig test, taalkundig, archeologisch en historisch. Hij verklaart, met de eenvoudige hypothese dat het Jezusverhaal een verbastering is van delen van de Caesarbiografie, het bestaan van de Christus en het ontstaan van het Christendom. Dan valt ook alles op zijn plaats, zowel qua ontwikkeling van de tekst, de traditie en daarbinnen de liturgie en iconografie. En zo wordt begrijpelijk waarom men Christus maar niet vindt waar men hem zo naarstig zoekt, alle Leben-Jesu-Forschung ten spijt. Wetenschappers, klassiek filologen, zijn het er inmiddels wel over eens dat de vroegste teksten over Christus biografisch zijn, ons iets meedelen over een beroemd persoon. Maar wat dan? Carotta: ‘We bevinden ons zo in de paradoxale positie, een biografie te bezitten die ons niet in staat stelt iets over de hoofdpersoon te weten te komen.’

De luxe van Carotta’s theorie is, dat er zo veel in samenhang kan worden verklaard als het gaat over die oorsprong van het vroege Christendom en de figuur van Christus. Wie die toenemende verklaringskracht van de theorie heeft gevolgd, sedert 1999 bij de uitgave van zijn eerste boek, deelt in die weelde. De telkens nieuwe gezichtspunten en bewijsvoeringen krijgen een precieze plek in een groter geheel van duiding, nieuwe vragen worden voorzien van antwoord. Daarbij leidt de theorie ons naar historische personen en concrete gebeurtenissen die de oorsprong vormen van het Christendom. Zie alleen al de elementen: Zoon van God, gehangen aan het ‘kruis’, de woede van het volk, het verraad van Brutus, de kus als verraderlijk teken, de stoot van Longinus in de zij, Lepidus die zijn handen in onschuld wast, de rol van ‘Marcus’ Antonius, de vrouwen rond Caesar zoals ‘Maria Magdala’ en last but not least Fulvia als de grote regisseur van het bijzettingsritueel na de dood van de Christus. In de nieuwe bundel presenteert Carotta een verdere bewijsvoering over de rol van Fulvia ten tijde van Rome’s drie meest memorabele dagen.

In kennistheoretisch opzicht is het begrijpelijk, maar ook verbazingwekkend, dat met name theologen er maar niets van kunnen bakken. Begrijpelijk, omdat theologie niet zelden een religieus-politieke agenda nastreeft en daarom met deze Umwertung voorlopig niets kan aanvangen. Geen universitaire docent heeft de theorie van Carotta opgenomen in een curriculum als verklaringsvariant van de oorsprong van het Christendom. Maar geen theoloog is tot nu toe ook niet in staat gebleken met goede argumenten de theorie te ontkrachten. Het zwijgen is al te luid.

Verbazingwekkend is wel dat de door Carotta gehanteerde taalkundige methodiek, de linguïstiek, binnen een geheel van algemeen aanvaarde wetenschappelijke analyse, geen voet aan de grond krijgt binnen de theologie, ondanks de universitaire roep om meer interdisciplinair onderzoek. Carotta zelf werkt interdisciplinair, maar dat wordt hem juist tegengeworpen. Het zij zo.

Jezus Christus is de schaduw van Caesar. Wij wijzen nog naar de grond en zeggen: ‘Dat is hem’. Maar hij is het niet, hoe diep we ook graven op de plek van de schaduw. Een hondje zou het snappen. De geur leidt immers naar Rome. Arme archeologie die uitgaat van de premisse dat Jezus in voormalig Palestina rondgelopen zou hebben. Geen wonder dat de historische claims niet kunnen kloppen. Die Christus van vlees en bloed was iemand anders, uit een andere tijd, leefde in andere omstandigheden. Zijn betekenis is de wereld ingegaan, diëgetisch getransponeerd. Zoals Brooklyn uit Breukelen, New Zealand uit Zeeland en Zaragoza uit Caesar Augustus. In Harlem moet je ook niet zoeken naar vergane scheepsresten in een rivier de Spaarne, net zomin je een sandaal van een discipel opvist uit het meer van Galilea. Gaius Julius Caesar zijn Nachleben leeft onder ons voort. Zoals zijn veteranen zijn heiligengeschiedenis hebben meegenomen, zoals hij is vereerd in de veteranenkolonies, zoals zijn herschreven en aangepaste heiligenleven het middelpunt werd van de Flavische staatspolitiek. En zoals vroeger de kruistochten naar het heilige graf gingen, zo nu de toeristenstromen naar het Heilige Land.

In die zin is de politiek-religieuze projectie, de getransponeerde geschiedenis van een verraden en omgebrachte Heer die naastenliefde nastreefde en zelfs de vijand lief had, blijvend en actueel. Caesar zijn opvolger Pontifex Maximus de Paus laat het ons nog altijd weten, urbi et orbi. Het verklaart ook waarom de moederkerk in Rome blijft en niet in Jeruzalem het postadres kiest. Laat zien dat op de fundamenten van Romeinse tempels de latere Mariakerken zijn gebouwd. En het maakt begrijpelijk waarom het vroegste bericht over Christus oorspronkelijk in het Latijn is geschreven.

Het evangelie is het gemuteerde verhaal dat onze geschiedenis van Julius Caesar heeft gemaakt in Jezus Christus. Iedere zondag weer. Dat mag een wonder heten.

Francesco Carotta (2012), Artikel und Vorträge. Eine Suche nacht dem römischen Ursprung des Christentums, Kiel: Ludwig, ISBN 978-3-937719-63-4

[PS: inmiddels is er ook een Franse vertaling van het artikel over Fulvia ]

Advertenties

Categorieën

%d bloggers liken dit: