Gepost door: dejister | 3 mei 2011

Een wel zeer ‘ontoevallige’ historische continuïteit

De gezalfde als tronende macht. Jezus als Jupiter, de 12 apostelen als Romeinse senatoren. Mozaiek van omstreeks 400 in de S. Prudenziana te Roma

In zijn afscheidsrede stelt de Leidse hoogleraar theologie H. F. de Jonge, sprekend over het avondmaal, dat de historische continuïteit tussen de Grieks-Romeinse verenigingssamenkomst en de wekelijkse samenkomst van de christenen in de eerste en tweede eeuw nog nader onderzoek verdient. Hij is dan ook benieuwd naar de bevindingen van een promovendus. Wie de oorsprong van het Christendom wil verklaren als een historische continuïteit tussen de Grieks – Romeinse wereld en die van het latere Christendom moet tot de erkenning komen dat er zeer veel van de ene tijd is doorgesijpeld naar de andere. Zo vinden we bij Caesar voor zijn verraad en dood een avondmaal met een zelfde gespreksthema als in de latere bronnen over Christus. Dat moet te denken geven. Hoe zit dat? Hoe kunnen die twee teksten hetzelfde berichten? Is daar ook sprake van een historische continuïteit, zoals De Jonge zelf in algemeenheid suggereert? Voer voor de promovendus. Als er zoveel overeenkomsten zijn, wordt het dan niet tijd voor een andere verklaring? Logisch zou zijn dat geschiedenis in een traditie van overlevering wordt voortgezet, vaak als diegetische transpositie. Spoel dan eens terug? Waar vinden die teksten over Christus hun ware oorsprong?

Christus op de troon San Vitale Apse te Ravenna.

In het kader van deze ‘historische conceptie van continuïteit’ schrijft Tommie Hendriks (email-correspondentie):

“Caesar werd in 63 BCE Pontifex Maximus. Het aannemen van dit hoogste religieuze ambt van de Romeinse Republiek is ongetwijfeld opgeluisterd geweest met een inwijdingsrite. Daarbij zou een zalving van de nieuwbakken hogepriester niet hebben misstaan. Dit zou kunnen verklaren waarom Divus Iulius de betiteling Christus heeft gekregen. Maar er is meer en plausibeler materiaal voorhanden. Christus (Χριστος) komt van chriô (χριω). Dat Griekse χριω betekent: – over iets heen wrijven, inwrijven, zalven. Het Grieks-Nederlandse woordenboek van Wolters-Noordhoff voegt hieraan toe: als hygiënische maatregel, ook bij doden toegepast (zie Homerus, Tragici, Nieuw Testament). Van Lucanus weten we dat de crematie van Caesar gepaard ging met Oosterse geuren en dat Caesars lichaam daarmee gebalsemd was: PINGUIS AD ASTRA UT FERAT E MEMBRIS EOOS FUMUS ODORES / Weelderige rook die uit zijn leden Oosterse geuren naar de sterren draagt (Lucanus,Pharsalia, 8.730-731; zie ook Hendriks, Rouw en Razernij om Caesar, 53 en 168). Deze balseming van het lijk was bij de Romeinen voor deze tijd bijzonder: de vergrieksing van de Romeinse bovenlaag was nog in haar beginstadium. We vinden haar in het Nieuwe Testament dan ook terug bij wel drie van de vier evangelisten: Mk 16:1 (aromata – welriekende kruiden / ut (.) ungerent eum – opdat zij hem bestreken), Lk 24:1 (quae paraverant aromata – welriekende kruiden die zij bereid hadden), Joh 19:39-40 (murrae et aloes – mirre en aloë / ligaverunt eum linteis cum aromatibus – zij wikkelden het met de welriekende kruiden in linnen doeken). [Bij Mattheus (27:59) wordt Jezus’ lichaam gewikkeld in zuiver linnen]”.

Hora est!

Advertenties

Categorieën

%d bloggers liken dit: