Gepost door: dejister | 19 oktober 2015

Interview met Arne Eickenberg, auteur van Die sechste Stunde

HET EVANGELIE ALS HYPERTEKST

‚Merkwaardige streken, vreemde contreien

De wonderen en natuurrampen in het lijdensverhaal van Christus gaan terug op de gebeurtenissen bij de dood van Julius Caesar. Een interview met Arne Eickenberg, auteur van het boek Die sechste Stunde.

416-hjbrk6l-1
inzage

DE JISTER: Hoe kwam u op het idee om tussen de natuurrampen bij de dood van Caesar en die bij Christus parallellen in de teksten te veronderstellen?

Arne Eickenberg: Tot mijn geluk hoefde ik niets te veronderstellen, want er waren vóór mij al historici en theologen die een directe parallelliteit hadden vastgesteld, overigens niet alleen wat het lijdensverhaal betreft. Vanaf het begin was er natuurlijk die merkwaardige duisternis op ‘het zesde uur’, maar ook het beven van de aarde. Wat de andere voortekens en wonderen aangaat, wordt het voor wat betreft de receptiegeschiedenis moeilijk, we kunnen immers niet in het brein van de onderzoekers kijken: bij Wettstein bijvoorbeeld, een Zwitsers theoloog en tekstcriticus, staan in het tekstkritisch apparaat van het evangelie zeer veel Griekse en Romeinse parallellen, maar hij houdt zich op de vlakte en pint zich er niet op vast. Hij presenteert ze neutraal, zonder er een waarde aan toe te kennen. Was hem of andere onderzoekers misschien iets opgevallen, maar hadden ze liever maar gezwegen? Zou kunnen, we weten het gewoonweg niet. In ieder geval was ik daarmee in een relatief veilige positie. En wanneer anderen deze weg al voor een stuk hadden bewandeld, waarom zou ik dan de weg kwijtraken? Weliswaar was de zaak flink overwoekerd, maar er liep een pad.

‘…een lange duisternis van meerdere uren, in ieder geval vanaf ‘het zesde uur’, en ook als teken bij een dood. Hier is sprake van een overduidelijke parallel tussen Caesar en Christus…’

DE JISTER: Heeft één onderzoeker in het bijzonder u op het spoor gebracht?

Arne Eickenberg: Het is Francesco Carotta geweest die de overkoepelende werkhypothese heeft ontwikkeld. Maar in mijn geval waren het ook de primaire bronnen die een indicatie gaven. Het meest in het oog springende was het Vergiliuskommentaar van Servius, waar er sprake is van een duisternis, in ieder geval een lange duisternis van meerdere uren, en eveneens vanaf ‘het zesde uur’, en ook als teken bij een dood. Hier is sprake van een overduidelijke parallel tussen Caesar en Christus en de tekstbehandeling van de eerdere onderzoekers is, om het diplomatiek uit te drukken, ietwat bevreemdend. Zelfs samenzweringstheorieën werden niet geschuwd. Sommigen hebben het doodgezwegen, anderen gingen er vanuit dat de Serviustekst een vervalsing was, maar de meeste onderzoekers hebben het gewoonweg van tafel geveegd.

DE JISTER: Hoe is het mogelijk dat deze teksten zich zo tot elkaar verhouden?

Arne Eickenberg: Nu moet ik een beetje uitweiden. Het sleutelwoord is hier de intertekstualiteit. Vandaag spreken we, in het voetspoor van Franse taalkundige Genette, van hypertekstualiteit. De wonderen tijdens de kruisiging, beschreven in het lijdensverhaal, worden inmiddels niet meer als historisch gezien. Daarover bestaat consensus, ook bij de theologen. Maar ergens moet toch die hele santenkraam ontstaan zijn. Dat het uit het niets zou komen, dat is niet realistisch. Dus moet het literair al hebben bestaan. En dat betekent dat de evangelisten en alle andere christelijke auteurs reeds bestaande teksten als een blauwdruk gebruikt hebben: mythen en legenden, profetieën, folklore enzovoort.

Uit die eerdere bronnen heeft men de eigen christelijke lijdensmythen geknutseld. Volgens deze opvatting was het dus een intertekstueel fenomeen waarmee velen konden leven. Maar zo kon er ook vrolijk op los worden gespeculeerd. Iemand veronderstelt: ze hebben een beetje van Homerus overgeschreven, een ander meent dat tekstgedeeltes teruggrijpen op koning Romulus, weer anderen stellen: het is een heterogeen mengsel van diverse heidense en Joodse legenden.

Velen beweren echter dat het een typologisch fenomeen was. Dat betekent feitelijk niets anders dan dat de theologen een hypothese bedenken en er dan maar van uitgaan dat die evangelisten precies zo dachten als zij. Ze moeten zich van de Joodse bijbel hebben bediend, zoekend naar oude profetieën en dan deze in het lijdensverhaal hebben ingepast…  en pronto: we hebben een vervulling in Christus, ex post facto.

‘…wanneer het vat ‘intertekstualiteit’ wordt aangeslagen, dan ligt het in de rede dat men ook de bronnen aangaande Caesars dood bestudeert, want daarin vinden wij alle wonderen terug…’

Maar wat precies die Joodse oerteksten nu waren kunnen de theologen ons niet vertellen. Overal zijn er vermoedens, bijvoorbeeld in het boek Amos. Maar hard maken kunnen zij die niet. Helaas hangt daar ook vanaf, hoe we het lijdensverhaal moeten duiden. Is God aanwezig, is hij afwezig, heeft hij verdriet, neemt hij wraak, is het een voorproefje van de dag des oordeels, van de zogeheten dag des Heren, is het structuur, is het chaos, is het een visioen van de eindtijd of nog van de tijd van vóór de schepping? Het maakt niet uit hoe je het theologisch wendt of keert, vanuit het oogpunt van tekstbehandeling kan men met de Joodse bijbel alleen maar zeer vage overeenkomsten construeren. Vanuit waarschijnlijkheids-theoretische optiek is het louter toeval. En in principe is het een terugkeer naar de vroege twintigste eeuw, een periode waarin veel onderzoekers zich aan de zogenaamde ‘parallellomanie’ te buiten gingen. Daarom kon het ook gebeuren dat de theologen zich er persoonlijk bij betrokken voelden en allerlei zaken in de teksten meenden te lezen: vele ideologieën, veel persoonlijke voorliefdes, maar nauwelijks iets concreets.

Steeds horen we dat wij slechts weten dat wij niets weten. Maar iets wordt daarbij over het hoofd gezien: wanneer het vat ‘intertekstualiteit’ wordt aangeslagen, dan ligt het in de rede dat men ook de bronnen aangaande Caesars dood bestudeert, want daarin vinden we alle wonderen terug, alle voortekens, alle catastrofes: duisternis, aardbevingen, de opstanding van de doden, de verwoesting van de tempel, om er maar een paar te noemen. En het is dezelfde natuurcatastrofe. Niet een natuurramp die er op lijkt, nee, exact dezelfde.

DE JISTER: Wat zijn de belangrijkste overeenkomsten?

Arne Eickenberg: Allereerst is het de uitzonderlijke lange duisternis, vooral ook omdat deze in zo veel teksten prominent op de voorgrond staat, zowel in de Christelijke teksten als in de Caesarbronnen. Op zich is ‘het zesde uur’ een belangrijk houvast en daarom ook de titel van mijn boek. Een interessant aspect in het bijzonder bezit de opstanding der doden, in werkelijkheid de opstanding van de ‘heiligen’, zoals Mattheüs schrijft. Op het eerste gezicht is dat natuurlijk volledig onbegrijpelijk en ook voor theologen zeer moeilijk te plaatsen. Maar de opgestane doden, met inbegrip van heiligen en graven van heiligen, vinden we ook in de Romeinse teksten als belangrijke tekens bij de dood van Caesar.

DE JISTER: Maar dat is toch net zo moeilijk te aanvaarden?

Arne Eickenberg: Alleen als we het vanuit een moderne, oppervakkig-positivistische optiek bekijken. Verschijningen van doden waren er ook in de klassieke oudheid, niet veel, maar ze waren er. Ze golden als waarschuwingen, symbolen voor crises.  We mogen niet vergeten dat het overgrote deel van de mensen destijds aan wonderen en voortekenen heeft geloofd.

DE JISTER: Maar echt opgestaan zijn de doden bij Caesar toch ook niet.

Arne Eickenberg: Op het eerste gezicht niet. Maar wij kunnen het nu historisch verklaren: het was een feitelijke gebeurtenis, die alleen gemythologiseerd werd. Hoe die gebeurtenis zich voltrok, dat kan men in het boek lezen. De tekst over de opgestane doden is maar een van de bouwstenen. Andere parallellen zijn er in overvloed, de bloedrode maan bijvoorbeeld; ook het in tweeën gescheurde voorhangsel in de tempel heeft een interessante tekstuele ontstaansgeschiedenis. En we moeten in dit verband ook alle andere Christelijke teksten niet vergeten, de apocriefe geschriften, de apocalyptische teksten, de Christelijke dichters en kerkvaders. In veel van deze teksten vinden we additionele steun voor de afhankelijkheid van de Caesarbronnen. Soms zijn het buitengewone, nieuwe wonderen, soms variaties op de canonieke wonderen, maar in beide gevallen zijn ze niet te verklaren, behalve als we de Caesarbronnen in de analyse betrekken.

DE JISTER: Geldt het als een bewijs, dat de teksten over Caesar en de perikopen van het evangelie op elkaar lijken?

Arne Eickenberg: Wacht: het zijn niet zomaar gelijkenissen, ze komen volledig overeen. Wanneer het alleen maar gelijkenissen waren, dan was deze publicatie niet te rechtvaardigen geweest. Daarnaast behoor ik niet tot degenen die categorisch beweren dat wetenschappelijke theorieën niet bewezen kunnen worden, dat men ook daaraan alleen maar kan geloven. En er is natuurlijk altijd wel iemand die wat te pruttelen heeft, vooral bij het thema religie. Ik spreek liever, enigszins diplomatiek, van aantonen, van indicaties. Goed beschouwd zijn het allemaal bevindingen die in principe door iedereen kunnen worden nagetrokken. Het woord bewijs daarentegen is voor de meesten moeilijk te verteren, er zijn weinigen die het in de mond durven nemen. Ik zou het fundamenteler willen zien en stellen dat mijn boek verdere argumenten aandraagt, hele belangrijke gegevens, die aantonen dat de theorie van Francesco [Carotta] klopt. Duidelijk. Voor mijzelf is het, vanuit theoretisch oogpunt, een open-and-shut case, zoals men dat vandaag de dag zo mooi pleegt te zeggen. Maar ook al is de theorie waterdicht, scepsis ten aanzien van eigen onderzoek moet er natuurlijk altijd blijven. Men moet bereid zijn de eigen resultaten steeds weer kritisch te bezien, niet alleen het onderzoek van anderen. Alleen zo komt men verder. Het zijn merkwaardige streken, vreemde contreien, en ernaartoe loopt geen directe weg. Belangrijk is wel dat we een theorie hebben, die ook nog functioneert.

DE JISTER:  Hoe moet men uw onderzoek kwalificeren? Is het geschiedkundig, linguïstisch?

Arne Eickenberg: In zeker opzicht is het toch iets heel nieuws, nietwaar? Maar dan toch ook weer een keurige, postmoderne crossover. Oudheidkunde speelt een rol, religiegeschiedenis, primair de Christelijke geschiedenis, maar ook die van andere, antieke religies en culten; liturgie-onderzoek is eveneens belangrijk gebleken, archeologie, numismatiek, en zonder tekstkritiek, linguïstiek en filologie kan men zo’n onderzoek helemaal niet realiseren. De filologie is wel van een ongewone soort, aangezien we te maken hebben met eenvoudige geschriften, niet met die van de hoge antieke beschaving. Als lest best komt ook nog de natuurwetenschap om de hoek kijken, geologie bijvoorbeeld. Want dat ligt immers allemaal in de aard van de zaak: wanneer wij de historische, cultische en tekstuele oorsprong van een religie en zijn heilige teksten willen blootleggen, dan raakt dat uiteraard zeer vele terreinen. En juist het complex van Caesarmateriaal en dat van het christendom zijn uitermate omvangrijk en kennen zeer veel aspecten.

DE JISTER: Hoe ziet u de verhouding tussen Caesar en Christus?

Arne Eickenberg: Caesar zelf was ‘Christus’. Daarvoor lever ik in mijn boek voldoende onderbouwing. Er is dus niet sprake van een verhouding tussen Caesar en Christus, het gaat om één en dezelfde persoon in verschillende toestanden, die in zeker opzicht onherkenbaar overdekt zijn. Concreet zijn het twee verschillende literaire complexen die over Caesar geschreven werden, aan de ene kant de Romeinse hypoteksten, waaronder natuurlijk ook de geschiedschrijving, en aan de andere kant de Christelijke hyperteksten, de evangeliën etc. Het gaat dus niet om een dualisme. Christus is niet het Yin tot Caesar zijn Yang. We zien bij de ene alleen het Yin, bij de andere alleen het Yang. Het wekt slechts de indruk van een dualisme. Otto Seel, de Duitse klassiek filoloog, heeft zich over Caesar in dezelfde bewoordingen uitgelaten door te stellen dat Caesar alles was, maar vooral ook het tegendeel. Hetzelfde kan men ook over Christus zeggen. Het is hoe dan ook een paradoxale opmerking, maar ook een perfecte beschrijving van God, vindt u niet?

DE JISTER: Waarmee we bij het volgende onderwerp komen. Heeft uw onderzoek ook theologische gevolgen?

Arne Eickenberg: Eerlijk gezegd moeten de theologen dat zelf maar bepalen. Ons werk is van een andere aard. Eén vraag heeft mij trouwens de laatste tijd toch wel beziggehouden: wanneer het evangelie reeds een theologisch werk is, een ‘vertelling over God’, is dan het werk van de achtereenvolgende theologen überhaupt nog wel nodig? Zijn ze niet eenvoudigweg epigonen? Wat is de zin van een theologie van een theologie? Of met de woorden van Gérard Genette: wat is de zin van een theologie ‘van de tweede rang’? Goed, het heeft het christendom tot stand gebracht zoals we dat nu kennen, het heeft ook tot veel onzinnige interpretaties van de Jezusfiguur geleid. Maar de oorsprong van het geheel is er niet inbegrepen, de oorsprong van de theologie ‘van de eerste rang’. Zolang echter het christendom bestaat, zullen theologen altijd werk vinden. Het gaat hand in hand met het ‘amen’ in de kerk, en dat meen ik niet spreekwoordelijk. (lacht)

DE JISTER: Zou er een nieuwe theologie mogelijk zijn, die zich tot de Caesarteksten wendt?

Arne Eickenberg: Moeilijke vraag. Omdat het evangelie op zich geen history is, maar een story die uit de history van Julius Caesar is ontstaan, komt men terecht in een veld van versperringen en onzinnigheden. Waarom? De exclusieve kijk op het evangelie is dan het grote probleem, het is als het kijken door een sleutelgat. De onderzoekers kijken er door, zien slechts een klein detail, en dus wordt er geëxtrapoleerd, wild gespeculeerd over wat er nog meer achter de deur is. Maar uiteindelijk heb je toch de sleutel nodig: voor wie het echt wil weten moet de deur open. Bij een dichte deur is er niet alleen het dilemma van de a-historiciteit, maar ook, zo men wil, een anti-theologisch dilemma. Want op de ene plaats in het evangelie staat dit, en op de andere plek precies het tegendeel. Men kan de Caesarteksten erbij halen wanneer men met de Christelijke bronnen niet meer verder komt, maar of de theologen dat ooit zullen doen staat in de sterren geschreven. Het zou echter wel nodig kunnen zijn.

DE JISTER: Hoezo?

Arne Eickenberg: Goed, we nemen ons concrete geval. Als de duisternis ten tijde van de kruisiging hypertextueel uit de Caesarbronnen stamt, hoe wil je die dan theologisch juist interpreteren zonder een vergelijking met juist die Caesarbronnen? Een zuiver christelijke duiding heeft niets opgeleverd. Daar stond de duisternis, of voor treurnis, schaamte, toorn, of voor goddelijke gerechtigheid enzovoort, alles afhankelijk van de subjectieve appreciatie van de betreffende theoloog. Daarentegen was in werkelijkheid de historische duisternis een waarschuwing, een goddelijke waarschuwing. Dat is een van de mogelijke verklaringen die we in de Romeinse bronnen vinden en die liet zich voortreffelijk christianiseren ware het niet dat er een kleine kink in de kabel zat: het lijdensverhaal is ingekort, chronologisch en liturgisch ingedikt. Historisch ontstond de duisternis op het zesde uur de dag ervoor. In het evangelie gebeurt het evenwel gelijktijdig met het sterven en dus kan men, ja mag men het niet meer als een waarschuwing vooraf interpreteren.

DE JISTER: Kan men dit soort problemen wel tot een oplossing brengen?

Arne Eickenberg: Als er in de primaire bronnen geen geschikte alternatieven te vinden zijn, nee dus. Dit vraagstuk is terug te voeren op het kernprobleem van de evangeliën: het zijn hyperteksten, niet de oorspronkelijke. Ze zijn opnieuw geschreven, modern gezegd zijn het remakes en dus kun je ze eenvoudigweg niet meer in overeenstemming brengen met de hypoteksten, de oorspronkelijke teksten. Wetenschappelijk en tekstkritisch gaat dat wel soepel. Wat dat betreft zijn wij hier in het voordeel, maar wat de theologie aangaat wordt de Rubicon dan in veel gevallen overschreden, of eigenlijk de Jordaan. (lacht)

DE JISTER: Is een-naast-elkaar-bestaan misschien mogelijk?

Arne Eickenberg: Alleen wanneer wetenschap en geloof meer uit elkaar worden gehaald – althans dat is mijn mening. Het probleem is echter dat veel wat ons met betrekking tot het christendom en Jezus als wetenschappelijke resultaten aan de man wordt gebracht, in het geheel niet wetenschappelijk beargumenteerd kan worden, maar eveneens uit het geloof is ontstaan, deels ook uit een volledig modern geloof. Qua methodologie valt er zo het een en ander te bekritiseren. In alle bescheidenheid zou men kunnen zeggen: alstublieft, wij bieden u een alternatieve verklaring aan: het evangelie is het product van een diëgetische transpositie.

DE JISTER: En hoe reageert de wetenschappelijke gemeenschap op de theorie van Francesco Carotta?

Arne Eickenberg: Er is geen sprake van een wetenschappelijke gemeenschap. Okay, wat het christendom betreft en het vraagstuk van de zogenaamde historische Jezus, is er tussen wetenschappers misschien sprake van een ‘gemeenschap’. Misschien. (lacht) Men doet alsof er consensus bestaat, maar als het er op aan komt bakt elke gemeente zijn eigen broodjes. Wij kunnen evenwel al zeggen dat de individuele support voor onze theorie tot nu toe omvangrijker was dan men wellicht zou denken. En niet alleen achter de coulissen. Maar de meeste positieve reacties zijn nog erg schuchter, geheel daargelaten dat er natuurlijk ook lieden zijn die zeggen dat men ons het liefst direct in een gesticht moet stoppen. (lacht)

DE JISTER: Ergert u zich daaraan?

Arne Eickenberg: Nee, eigenlijk niet. Want dit soort reacties is begrijpelijk, niet alleen vanuit psychologisch en ideologisch oogpunt, maar ook structureel. De ‘gemeenschap’ heeft zich de laatste honderd tot tweehonderd jaar in een comfortabele hoek gemanoeuvreerd en wij passen, zowel voorin als achterin, daar totaal niet tussen. Het ronde past namelijk niet in het hoekige, behalve bij voetbal. En dus moet men eerlijk zijn en zich afvragen: wat is hier het probleem? Dat wij rond zijn? Of dat zij hoekig zijn? En als we werkelijk eerlijk willen zijn, is de vraag allang beantwoord, niet in de laatste plaats door vertegenwoordigers van de mythologische school: het hoekige is het probleem.

DE JISTER: Welke terreinen verdienen nog nader onderzoek?

Arne Eickenberg: Hoewel de theorie klopt als een bus, betekent het nog niet dat wij elk fenomeen dat wij ontdekken direct een plek kunnen geven. Veel van wat er destijds is gebeurd bij de tekstuele overlevering is nog in duisternis gehuld, met name wat de apocriefe geschriften betreft. Hierbij moet men bedacht zijn op een sterke contaminatie en, afhankelijk van het ontstaansmoment, ook op een sterke judaïsering, egyptisering of chaldeïsering. Maar de theorie is krachtig en voorspelt heel bepaalde zaken op zeer heldere en simpele wijze. Inmiddels is het evangelie volgens Markus zeer goed ontsloten. Bij de andere teksten zijn er nog vele schatten te delven. Nemen we de hele canon in beschouwing, dan hebben we nog de Handelingen der apostelen, de Openbaring van Johannes, en niet in de laatste plaats naast Markus al het ‘Sondergut’ in de andere evangeliën. Als de theorie klopt – en op dit moment ziet het er werkelijk zo uit – dan ligt hier een taak voor generaties.

arneeickenberg_042015-1

Arne Eickenberg

DE JISTER: U bent, naast historicus en milieudeskundige, ook componist. Klinkt de Mattheüspassion voor u nu ook anders?

Arne Eickenberg: Nee, want deze muziek is ontstaan in een bepaalde tijd met een bepaalde culturele achtergrond. Het is wat het is. Als ik íets heb opgestoken bij mijn onderzoek dan is het wel dat men bij het lezen van een tekst niets van zichzelf erin moet leggen. Dat laten we liever aan de theologen over. Precies zo moet men niets in een muziekstuk leggen. Ik ken de onderliggende muziekregels, van de noten tot de akoestiek, maar toch functioneert muziek ook voor mij op de eerste plaats op het niveau van de emotionaliteit, van het instinct. Muziektheologie is eerlijk gezegd niet zo aan mij besteed, als men het al zo zou willen noemen. Vanzelfsprekend is er bij Bach & co een metatekst: het is Christelijk gedefinieerde muziek, maar daarin schuilt eventueel ook het probleem. En om bij de metafoor van de muziek te blijven; de Mattheüspassion en andere vergelijkbare werken zijn een onderdeel van de religieuze echokamer in naam van het christendom. En in deze kamer zoemen al honderden jaren de afgeleide signalen rond, de echo, de resonantie, en dat heeft het originele geluid sinds lang overstemd.

‘…de schepper-God was Caesar, hij was de conditor, de ‘ktistes’, de grondlegger van de koloniën, de schepper van het rijk, de parens patriae en God van de veteranen uit de burgeroorlogen…’

DE JISTER: Christus is de echo en Caesar het originele geluid?

Arne Eickenberg:  Misschien niet de beste analogie, maar het kan er mee door. Want het christendom kon alleen ontstaan omdat het ruimte gaf aan de weerklank van het oorspronkelijke signaal. Precies zoals in de muziek. Zonder ruimte kan ze niet bestaan, niet zonder culturele ruimte, maar vooral ook niet zonder echte ruimte, zonder weerklank: klank is in werkelijkheid verklanking, muziek die langzaam wegsterft. Maar als de ruimte te groot wordt, krijgen we een probleem: dan houdt het nagalmen niet meer op en ontstaan er vele overlappingen en interferenties. Goed localiseren kan men niet meer, alles vervloeit.

DE JISTER: Schept de religie niet haar eigen ruimte?

Arne Eickenberg:  Van cultus naar cultuur, zeker. In ons geval in het bijzonder, ook wat betreft de cultivering van de ruimte, van de akker, het christendom als religie van de boeren, de keuterboeren – dat alles vinden we al bij Caesar. Maar het was de ruimte die de schepper hun gegeven had.

DE JISTER: Ik dacht dat theologie niet aan u was besteed?

Arne Eickenberg: (lacht) Het ligt allemaal zo voor de hand: de schepper-God was Caesar, hij was de conditor, de ‘ktistes’, de grondlegger van de koloniën, de schepper van het rijk, de parens patriae en God van de veteranen uit de burgeroorlogen. Vanaf het begin zit alles erin, ook die oorspronkelijke ruimte, in de meest ware betekenis van voedingsbodem. En daarna kwamen de tempels, de kerken en kathedralen, en de echo’s werden almaar luider, niet alleen in akoestisch opzicht. We moeten uit die kamer met echo’s, we moeten de ramen opengooien om het originele geluid beter te kunnen horen. En aan het eind zullen wij beseffen, dat we niet een nieuwe interpretatie van Bach & co nodig hebben, want dat is immers allemaal deel van de religieuze echo. In waarheid hebben we een nieuwe muziek nodig, steeds weer nieuwe muziek. Wellicht dat die teruggrijpt op de zeer oude muziek, maar het zal ongehoord klinken.

Interview: Jan van Friesland

Nederlandse vertaling van oorspronkelijke Duitse interview.

https://dejister.wordpress.com/2015/08/06/ein-gesprach-mit-arne-eickenberg-dem-autor-des-buches-die-sechste-stunde/

Poppenwier/Berlijn: 17. & 20. Juni 2015

Gepost door: dejister | 11 november 2015

De plausibele terugkeer van Johannes de Doper

675px-mathis_gothart_grunewald_022

Isenheimer altaar, Matthias Grünewald (1512–1516)

Een theorie die krachtig is verklaart veel fenomenen, zo niet elk detail. Dat geldt voor de theorie van Francesco Carotta, die verklaart dat tekst en traditie van het Christendom teruggaan op de cultus van Divus Iulius. De dood van Caesar golft, als na de plons van een grote steen in een vijver, door tot in alle uithoeken van de wereldgeschiedenis, de teksten, de beelden, de tradities. Elders op dit blog treft u eerdere uitwerkingen van deze theorie aan. We nemen (weer) een voorbeeld. We richten onze blik op het Isenheimer altaar en bestuderen de figuur van Johannes de Doper die hier blootsvoets, bij de gekruisigde Jezus is gesitueerd. Waarom zou Grünewald Johannes de Doper weer tot leven hebben gewekt? Het blijft een raadsel, want de Doper zijn kop moet er al lang afgehakt zijn, de traditionele chronologie van de christelijke traditie volgend. Maar goed, de verbeelding van de kruisiging wijkt heel vaak af van de evangelietekst, dus mag het hier ook? Immers, zo is er in het kruisigingsverhaal ook niet beschreven dat aan Johannes de Doper zijn voet een bloedend lam is gesitueerd waarvan het bloed uit de keel in een kelk stroomt. De schilder heeft symboliek gebruikt bij zijn weergave en binnen de ruimte van de symboliek kunnen we het verklaren. Niet afdoende, maar toch. Vraag: zou die gebruikte symboliek van de schilder ook terug kunnen gaan op de dood van Caesar? En, wetenschappelijk interessant zou je denken: kunnen we daarmee mogelijk ook die vreemde terugkeer van Johannes de Doper verklaren? Een voorproef. 

De theorie van Francesco Carotta gaat er vanuit dat het hele kruisigingsverhaal een herschreven tekst is, gebaseerd op de bijzettingsplechtigheid van Caesar. Alle figuren in de evangelietekst vind je terug in de Caesarbronnen. Pompeius is in dit verband de historische figuur die omgevormd is tot de latere Johannes de Doper: hun beider hoofd werd o.a. afgehakt en aangeboden. 

i08_07

Johannes de Doper

Maar goed, hier zit dat hoofd er weer op. Het is al eerder opgevallen dat Johannes de Doper, die deels naakt is afgebeeld met blote voeten, een opvallende rechter hand heeft die wijst. Waar vinden we die hand en armbeweging terug? Oorspronkelijk ook op het beeld van Pompeius, aan wiens voet Caesar is vermoord. Let op de naaktheid van het beeld en ook de positie van de andere, linker arm. 

Unknown

Standbeeld Pompeius,  reconstructie Rome, (55 v.Chr.) 

Aan de voet van het standbeeld van de naakte Pompeius met zijn uitgestrekte hand, sterft Caesar. Verraden door een groep senatoren, neergestoken na het teken van een kus om te doden. En daarmee is te verklaren waarom Pompeius nog bij het sterven van Christus aanwezig is op het drieluik. Klinkt wat ver gezocht op het eerste gezicht. 

friendsromanscountrymen1

Moord op Caesar onder het standbeeld van Pompeius

Grünewald verbeeldt in zijn magnifieke schilderij de dood van Caesar drie maal en alle elementen uit de moord- en bijzettingsgeschiedenis van Caesar vallen daarmee op hun plaats. 

Wij plaatsen de positie van Johannes de Doper in breder verband aangaande het altaarstuk en de relatie met Caesar. 

1. Als bloedend lam, symbool van het offer aan Jupiter;

Caesar opgevat als het lam van God. Per slot van rekening werd er ritueel een lam geslacht op de Iden van Maart (ovis Idulis) toen Caesar als hogepriester van Rome werd vermoord. Dat het een ritueel karakter had wordt duidelijk door de kelk waarin het bloed stroomt. En het stromende bloed is hier ook meer op zijn plaats, en geschiedt uitbundiger,  dan bij de hangende Christus. Het vreemde kruis bij de hals van het lam symboliseert de moord op Caesar, waarbij veel bloed te pas kwam.

grunewald1515.lamb

Detail Isenheimer altaar

2. Als Caesar aan het tropaeum met de doorstoken wonden;

Al eerder is op dit blog besproken dat Grünewald de visuele echo van de draaiing van het tropaeum heeft afgebeeld. Alles draait immers aan de Christusfiguur, zijn armen, zijn benen, maar vooral zit zijn rechter arm vreemd achter de verticale balk gepositioneerd. Alsof die balk zichtbaar moet zijn, zoals bij een roterend tropaeum. Chronologisch volgt het tafereel de gebeurtenissen, van rechts naar links: dood Caesar bij standbeeld Pompeius > bijzettingsplechtigheid met Caesars wasfiguur aan tropaeum en Caesars lichaam in ciborium > nasleep en erfopvolging van Octavianus. 

images-4

3. Als Caesar in het graf, zijn dode lichaam in het tempeltje onder het tropaeum;

Grunewald_Isenheim1

Grünewald met zijpanelen

De wasfiguur van Caesar hing aan het tropaeum zodat de bevolking van Rome het beeld van het lijk kon zien. Zijn echte dode lichaam lag opgebaard in een ciborium, een klein tempeltje gebouwd in de stijl van Venus Genetrix dat onder het tropaeum was geplaatst. Dat er een relatie is tussen ‘kruis’ en ‘graf’, tussen tropaeum en tempeltje, wordt zichtbaar door het doorlopen van de verticale as van het kruis tot in het het ‘graf’. 

Links in een paneel is de vervangingsheilige Sint Sebastiaan afgebeeld, met pijlen doorboord. Hij staat symbool voor de pestbestrijding: pestlijders en andere zieken trokken naar dit tableau om er genezing te vinden.  Rechts zien we in een paneel Sint Antonius. Antonius, kennen we die naam? Een zekere Marcus Antonius was bij de bijzetting van Caesar aanwezig. Achter in het raam is een demonisch wezen afgebeeld, wat staat voor Cleopatra. Zij zou hem, na de dood van Caesar, mee zou sleuren in haar politieke en seksuele escapades. 

i02f_09

Sint Antonius, detail Isenheimer altaar

Terug naar Johannes de Doper. De tekst achter Johannes de Doper is het Latijnse ‘Illum oportet crescere me autem minuit’, wat verwijst naar de val van Pompeius en de zege van Caesar op hem. En heette Pompeius niet Magnus? Deze Magnus moest een toontje lager zingen en werd onthoofd. En zozeer de latere beeldtraditie de hand en arm van Johannes de Doper heeft voortgezet (v.i), zo plausibel is het dat ook Matthias Grünewald teruggrijpt op een eerdere traditie en hier het oorspronkelijke standbeeld van Pompeius heeft verbeeld. Een traditie die zich heeft voortgezet.

illus240.png

Pompeius Magnus, reconstructie

0d89b2035f9483b7b6bdf743107c8683

Titiaan,  Johannes de Doper (1542)

Gepost door: dejister | 30 oktober 2015

Selfie met gebouw

santasabina-1

Santa Sabina all’Aventino, (430), Rome

De afbeelding van de kruisiging op de kerkdeur van de Santa Sabina in Rome is al eerder op dit blog besproken in relatie tot de Divus Iulius-cultus en het bijzettingsritueel van Julius Caesar. En op de website van Francesco Carotta wordt ook dit paneel in een wetenschappelijke analyse besproken. ( Zie: Orpheos Bakkikos, The Missing Cross ) We richten onze blik nu op het gebouw achter de gekruisigde(n).

1. Timpanen en hoge muur

Wat opvalt is dat het gebouw drie timpanen heeft, maar dat achter de timpanen weer sprake is van een hogere muur die zo hoog is dat er geen lucht is in dit panorama;

2. De pilaren

De ondersteunende zuilen van de timpanen lijken van Romeinse signatuur. De pilaren dragen de timpanen, niet de achterliggende muur;

3. Afstand

De drie timpanen c.q. gebouwen staan niet op één lijn. Het meest linkse gebouw staat het meest dichtbij omdat dit  timpaan het andere, linker timpaan, overdekt.  In het verbeelde perspectief staan de gebouwen op een zekere afstand van de gekruisigde, maar wel zo dat zij de ‘horizon’ geheel vullen;

4. Nis

Het linker timpaan bevat een nis met een kromming, waarachter geen muur zichtbaar is; 

Sabina crucifixion

Nu kent de afbeelding van de kruisiging, ook al in de vroege tijd, een breed spectrum van settings en taferelen waarin deze is afgebeeld. Variatie te over: met of zonder de twee medegekruisigden, met of zonder een rivier op de achtergrond, met of zonder Johannes de Doper, met of zonder Maria Magdalena, met of zonder Longinus etc. De vele visuele interpretaties, niet zelden afwijkend van de evangelietekst, zijn niet van de lucht. Ondanks die complexe variëteit, kan men zich afvragen of het Santa Sabina-paneel toch nog sporen nog in zich draagt  van de bijzetting van Caesar, als oorsprong van het later diëgetisch getransponeerde kruisigingsverhaal. Kortom:  Is de locatie op het Forum Romanum nog te herkennen? Een kleine, voorzichtige exercitie.

Het is bekend dat het tropaeum, waaraan de wascopie van Caesar hing, was geplaatst op de rostra op het Forum Romanum. De rostra was de brede verhoging op het Forum Romanum. Achter de rostra stond het zogenaamde tabularium waar de administratie van Rome werd bewaard.

may001

Envois de Rome : le tabularium selon Constant Moyaux (1865-1866)

Het is niet ondenkbaar dat ten tijde van de vervaardiging van het kruisigingstafereel, wat we terugvinden in de deur van de Santa Sabina, het tabularium, met op de voorgrond de andere gebouwen, zo was gesitueerd op het forum romanum. Is de visuele echo van het tabularium zichtbaar op het kruisigingspaneel van de Santa Sabina?

1-0105_KL_Tabularium_Kontext-601x338

     tabularium

http://www.digitales-forum-romanum.de/wp-content/uploads/2014/02/1-0105_KL_Tabularium_Kontext.jpg

Hier de eerste impressie (op grond van de bronnen) van het bijzettingsritueel van Caesar op de rostra, met uitzicht naar een achtergrond links:

tropaeum

Tekening Pol du Closeau 2002

Laten we de punten nog eens aflopen.

1. Timpanen en hoge muur

Neemt men, als toeschouwer,  de positie in rondom het midden van de rostra dan is er inderdaad sprake van twee diepten: de tempels op de voorgrond en het hoger gelegen tabularium daarachter;

2. De pilaren

Ook zijn er veel zuilen die de timpanen van de tempels dragen;

3. Afstand

De kruisigingsfiguur c.s. is op de houtsnede bijna net zo groot als de achterliggende gebouwen. Qua perspectief  zou dit qua afstand tussen rostra en achterliggende gebouwen kunnen kloppen. De gebouwen zijn niet ‘ver weg’, liggen niet in de verte;

4. Nis

Het linker timpaan bevat een nis met een kromming, waarachter geen muur zichtbaar is;

Deze nis vertoont, qua vorm, gelijkenis met een nis uit de zuilengalerij van het tabularium. Welliswaar zit de nis, waarvan er maar één is, in het timpaan en niet in de hogere muur wat men zou verwachten. Heeft de graveur, mogelijk bogend op een traditie, toch willen benadrukken dat de zuilengalerij van het tabularium op de achtergrond  ergens op 4/5 van het panorama ophoudt? Simpelweg omdat het gebouw niet breder is. 

Zoals gezegd wedijveren veel beeldtradities met elkaar en bovenstaande vergelijking is op zich geen bewijs dat het paneel in een beeldtraditie staat qua verbeelding van het tabularium c.a. Niettemin vindt men de weergave van een gebouw, mogelijk terugvallend op het Santa Sabina-paneel, of uit andere traditie, terug als één van de ensceneringsvarianten van de kruisiging.  

Bij afbeeldingen van kruisigingen is er nog altijd het spoor van de traditie van een gebouw op de achtergrond. Bij deze kruisiging (beneden) is ook een impressie van gelaagdheid van bouw zichtbaar is en een zuilengalerij op de achtergrond. 

palaeography_quaritch_plate11

Kruisiging in een missaal, Italië rond 1290.

In onderstaande afbeelding treffen we weer de drie timpanen aan en een gebouw op de achtergrond, gewelfd en dichtbij, en als visuele echo ook op de achtergrond:

montorfano_crocifissione_1497_con_interventi_di_leonardo_nei_ritratti_dei_duchi

Crucifixion, opposite Leonardo’s Last Supper

Hoewel de beeldtraditie met een gebouw op de achtergrond niet overmatig sterk is, is deze toch niet te veronachtzamen. Een aantal voorbeelden:

images-2

French, Crucifixion, ca. 1400. Ivory. Milwaukee Art Museum, Purchase, M1967.72. Photo by John R. Glembin

justus_lipsius_crux_simplex_1629-1

Crucifixion on a stake, Illustration in Justus Lipsius’ De cruce 1595

novgorod-icons18

The Crucifixion. A Novgorod icon (side of a double-faced tablet) from the Saint Sophia Cathedral. The Late XV — early XVI centuries.

We zien dat de beeldtraditie zich voortzet. Nader wetenschappelijk onderzoek zou meer licht op dit fenomeen kunnen werpen door ook andere deurpanelen in de analyse te betrekken. Met name zouden alle te duiden nieuw-testamentische panelen aan een nieuw onderzoek moeten worden onderworpen. Zo zou bijvoorbeeld het paneel met de drie wijzen uit het Oosten die Maria geschenken komen brengen (onder) zeer wel ook de echo van de locatie te Rome in zich kunnen dragen. Nog los van het feit dat de drie wijzen vrijheidsmutsen dragen, is de encenering eerder koninklijk dan figurerend in een stal.  Moeder  Maria met het Christuskind (Atia met Octavianus) moet op dit paneel worden benaderd via een trappenbordes en zij troont op een curulische zetel, een sella curulis. Carotta beschrijft uitvoerig de geboorte van het kerstkind, zijnde Octavianus. De drie wijzen zelf hebben, vanuit dit nieuwe paradigma bekeken, ook hun oorsprong in Octavianus. Op zijn reis naar de Oriënt werd hem veel in de schoot geworpen. Voer voor verder onderzoek.

magiarticolo3

Paneel Santa Sabina, Drie wijzen uit het oosten brengen geschenken.

Gepost door: dejister | 7 september 2015

Marcus Antonius en Fulvia

deur-411

Ivoren plaquette op doosje van ivoor, (+/- 420 na Chr.), British Museum

Eerder op dit blog is al vastgesteld dat alle verhalende elementen van het ivoren tafereel in het British Museum, waarop de kruisiging van Christus is verbeeld, ook kunnen worden verklaard met de gebeurtenissen ten tijde van de bijzetting van Julius Caesar. De overeenkomsten zijn frappant. Tommie Hendriks in zijn boek Rouw en Razernij om Caesar:

‘Van rechts naar links wordt opeenvolgend het passieverhaal van Divus Iulius verteld. Helemaal rechts richt Cassius Longinus zijn dolk op de hartstreek. Ook de verwonding van het rechteroog van Divus Iulius heeft hij op zijn geweten. (…) Naast de God staat, gekleed in een Romeinse toga, Marcus Antonius, in de kracht van zijn leven. Antonius is, gezien zijn handgebaar, bezig met een vurige lofrede, waarmee hij de eerste steen legt van de tempel, die men voor Divus Iulius zou bouwen. (…) De figuur helemaal links is Decimus Brutus, de grootste verrader van allemaal. Aan zijn voeten ligt het bloedgeld, waarmee hij het volk van Rome probeerde om te kopen…’ (Rouw en Razernij om Caesar, Aspekt)

Unknown

De man en vrouw op de voorgrond zouden dan het echtpaar Marcus Antonius en Fulvia zijn. Fulvia had immers grote invloed op haar man en was op de achtergrond de regisseur van het bijzettingsritueel van de verraden en gedode Caesar, op een politiek zeer tumultueus moment in Rome. Evident is de toenmalige rol van Fulvia. De kunstenaar heeft dit mogelijk ook willen benadrukken: ze zijn beide identiek gestileerd, qua kleding, lichaamshouding en de positie van de benen. Fulvia verbeeld als de schaduw van Marcus Antonius. (Beide tippen met hun teen tegen het touwtje wat leidt naar de dode (Decimus) Brutus.) Deze verbeelding is een interessante indicatie, hoewel geen sluitend bewijs op zich. Maar het past wel weer als extra verklaring in de grote theorie JC>jc. 

F en A

Marcus Antonius en Fulvia

 Francesco Carotta over de relatie tussen kruisiging en Caesarbijzetting:

‘Summing up, one recognizes that not only the expositio crucis, but the entire Easter liturgy can be traced back to Caesar’s funeral and bears the signature of Fulvia, who through her actions achieved Caesar’s posthumous victory, his resurrection from the dead.’ http://www.carotta.de

Gepost door: dejister | 7 september 2015

Van Sidus Iulium naar Chi Rho

alpha_omega_and_px_002

Qua structuur heeft Francesco Carotta (en recent ook Arne Eickenberg met nieuwe argumenten, Die sechste Stunde, p. 98 e.v.) vastgesteld dat de Sidus Iulium kan zijn getransformeerd tot het Chi Rho teken, het Christusmonogram.

images

F. Carotta, Jesus was Caesar, p. 101

Via welke weg zou het verdere overgangsproces van Sidus Iulium naar het Christusmonogram kunnen zijn verlopen? Want hoewel de hoofdstructuur van beide heiltekens op elkaar lijkt, zijn er ook niet gemakkelijk te verklaren verschillen. Wetenschappelijk onderzoek zou meer licht op deze transformatie kunnen werpen. Op dit blog een proeve van een kleine voorstudie.

Op onderstaande afbeelding zien we hoe het staartstuk (rechts-boven)  van de Sidus Iulium het begin in zich draagt van de latere getransformeerde ‘p’ in het Chi Rho teken:

fig_g

Carved Christogram at Qal’at Sim’an, Syria (see Ignacio Peňa, The Christian Art of Byzantine Syria, Garnet, 1996. p.86)

Ook op dit monogram zien we rechts-boven een overblijfsel van de staart:

full

G. Vikan, Catalogue of the Sculpture in the Dumbarton Oaks Collection. From the Ptolemaic Period to the Renaissance, Washington, DC, 1995, no.32.

In sommige gevallen zit een overblijfsel van het staartstuk links-boven:

231249

Chi Rho lamp 3e tot 5e eeuw

Hoewel een ‘p’ rechts-boven veel vaker voorkomt dan een ‘q’ (omgekeerde p) links-boven, is hiermee toch een mogelijkheid getoond dat de staartstukken zowel links en rechts zich kunnen vertalen in ‘p’ en ‘q’.  (Zie: Die sechste Stunde)

Eerlijk gezegd wil het niet echt lukken met de ‘p’ in veel Chi Rho-afbeeldingen. We kunnen een letter geen gemoedstoestand toeschrijven, maar eigenlijk wil de ‘p’ liever iets anders zijn.

06-medium

Etchmiadzin_Cathedral_cross_relief_with_Greek_inscriptions

 Kathedraal van Etchmiadzin 

Vraag: waar is ‘de punt’ ?

Een probleem bij de verklaring van de overgang van de Sidus Iulium naar het Chi Rho teken is de verdwijning van de ‘punt’ (de komeet) in het midden van de Sidus Iulium, de komeet als het centrum van acht stralen.

S0484.4

   Caesar Augustus

We zien dat ‘de punt’ (de komeet, de bol ) bij het Chi Rho teken geheel is verdwenen, wat verbazing moet wekken omdat het toch een zeer belangrijk element is in de oorspronkelijke visualisatie van dit heilteken.

magpxr

Magnentius 

Komen ze wel uit elkaar voort als ze op zo’n belangrijk punt van elkaar afwijken?

MagnentiusChiRho

Magnentius

Soms vindt men ‘de punt’ wel hier en daar terug in de beeldtraditie, zoals o.a hier op dit fresco op het schild links:

800px-Meister_von_San_Vitale_in_Ravenna_003

 Hof van Justitianus, Basilica San Vitale, Ravenna

images-1

en detail

Sadigh Gallery's Ancient Holy Land Terracotta oil lamp

Sadigh Gallery’s Ancient Holy Land Terracotta oil lamp

Terracotta lamp, 300-400 AD  

Maar overwegend schijnt deze ‘punt’ verdwenen te zijn in de beeldtraditie. Zelfs tekens die nog heel duidelijk de grondstructuur van de Sidus Iulium in zich dragen, kennen niet de ‘punt’ in het midden: 

Chrisme_Constantinople

Sarcofaag 4e eeuw Constantinopel 

Hoe de werkelijke Sidus Iulium eruit heeft gezien op het timpaan van de tempel van Divus Iulius is niet duidelijk in de bronnen beschreven. 

divi-caesarisGoede                             Tempel Divus Iulius http://www.noemewv.nl

Naar alle waarschijnlijkheid hebben in de overgang meerdere beeldtradities een rol gespeeld bij de overgang van Sidus Iulium naar Chi Rho. De eerste variant is die op de munt met de Sidus Iulium, met ‘punt’ c.q. bol. 

396254l

Caesar Augustus

Bij de weergave van de tempel van Divus Iulius op munten vinden we de punt terug, zonder stralen en staart. In deze variant zit in het timpaan van de tempel louter deze ‘punt’ c.q. bol. 

images

Maar er is ook een tweede variant op de munt als afbeelding van de Sidus Iulium op het timpaan van de tempel van Divus Iulius. Deze is wel weergegeven als een complex van stralen, maar juist zonder ‘punt’ (c.q. bol) in het midden:

img-5-small517

images

brm_357244Ster

crawford_540

Het hart van deze Sidus Iulium-afbeelding (boven) laat de punt dus geheel achterwege. De muntmeester heeft de Sidus Iulium als overlappende lagen ontworpen. Kon de muntmeester de precieze weergave met punt en staart niet goed maken? Of geldt hier een andere traditie? 

images-1Caesar Augustus

Die ietwat vreemde overlapping, de gelaagdheid, ziet men terug als P over de X gedrapeerd:

chi-rho

Magnentius

(Merk ook op dat de diagonaal van links beneden naar rechts boven niet recht loopt zoals men bij de letter X zou mogen verwachten. )

Op onderstaande afbeeldingen is ook de overlapping van de diverse tekens zichtbaar, wat verwijst naar de oorspronkelijke traditie zoals bij de timpaanafbeelding bij munten.


1161552.m

Pulcheria

images-2

Magnentius

images-2

Justinianus

images-4

Pulcheria

220px-Konstantin_den_stores_labarum,_Nordisk_familjebok-1

Labarum

????????????????????????????????????

Sarcofaag 5e eeuw Syrië/Libanon

Er is, wat de vreemde overlappingen betreft, een relatie tussen het afbeelden van het Chi Rho-teken en een variant van de Sidus Iulium op munten. Waarmee een deel van de overgang tussen beide heiltekens kan worden verklaard. Moet verder worden onderzocht natuurlijk.

DAS EVANGELIUM ALS HYPERTEXT 

„Es sind seltsame Gefilde“

Die Wunder und Naturkatastrophen in der Passion Christi gehen auf Ereignisse beim Tod von Julius Caesar zurück. Ein Gespräch mit Arne Eickenberg, dem Autor des Buches Die sechste Stunde.

416-hjbrk6l-1
leseprobe

DE JISTER: Wie kamen Sie auf die Idee, zwischen den Naturkatastrophen bei Caesars und Christi Tod eine Parallelität in den Texten zu unterstellen?

Arne Eickenberg: Zum Glück musste ich nicht unterstellen, denn es gab ja schon diverse Historiker und Theologen vor mir, die eine direkte Parallelität festgestellt haben, übrigens nicht nur was die Passionswunder angeht. Ganz vorne mit dabei war natürlich immer die seltsame Finsternis zur sechsten Stunde, aber auch das Erdbeben. Was die anderen Vorzeichen und Wunder angeht, wird es rezeptionsgeschichtlich schwierig, denn wir können nicht in die Köpfe der Forscher schauen: Bei Wettstein zum Beispiel, dem Schweizer Theologen und frühen Textkritiker, stehen im Apparat zum Evangelium sehr viele griechische und römische Parallelen, aber er bleibt allgemein, er legt sich nicht fest, sondern präsentiert sie neutral, ohne Gewichtung. Hatte er, hatten andere Forscher bereits mehr bemerkt, aber lieber geschwiegen? Möglich ist es, aber wir können es nicht wissen. Jedenfalls war ich in einer relativ sicheren Situation: Wenn andere diesen Weg bereits gegangen sind, was soll dann schiefgehen? Es war zwar ein stark überwucherter Weg, aber immerhin ein Weg.

‚‚…eine lange Dunkelheit von mehreren Stunden, ebenfalls ab der sechsten Stunde, ebenfalls als Zeichen beim Tod. Dies ist für jeden ersichtlich eine sehr enge Parallele zwischen Caesar und Christus…’’

DE JISTER: War ein bestimmter Forscher der Auslöser?

Arne Eickenberg: Francesco Carotta natürlich, denn er hat die übergreifende Arbeitstheorie entwickelt. Aber in diesem Fall waren es vor allem auch die Primärquellen, die mich auf die Spur gebracht haben. Der direkte Auslöser war der Vergil-Kommentar von Servius, wo er ebenfalls von einer Dunkelheit spricht, ebenfalls eine lange Dunkelheit von mehreren Stunden, ebenfalls ab der sechsten Stunde, ebenfalls als Zeichen beim Tod eines Gottmenschen. Dies ist für jeden ersichtlich eine sehr enge Parallele zwischen Caesar und Christus, und der Umgang der Forscher mit diesem Text ist, um es mal diplomatisch auszudrücken, kurios. Da wurde auch vor Verschwörungstheorien nicht Halt gemacht. Andere wiederum haben es völlig verschwiegen, wieder andere haben einen verfälschten Servius-Text benutzt, aber die meisten haben es einfach abgetan.

DE JISTER: Wie ist es möglich, dass diese Texte sich so zueinander verhalten?

Arne Eickenberg: Da muss ich ein wenig ausholen. Das Stichwort ist hier die Intertextualität, oder modern und nach Genette die sogenannte Hypertextualität. Diese ganzen Wunder während der Kreuzigung, während der Passion, werden mittlerweile nicht mehr als historisch angesehen. Das ist der große Konsens, auch bei den Theologen. Aber irgenwoher muss der ganze Kram ja kommen. Eine Erfindung aus dem Nichts können wir schnell verwerfen, also muss es von anderer literarischer Natur gewesen sein. Das wiederum bedeutet, dass die Evangelisten und all die anderen christlichen Autoren bestehende Texte als Vorlage benutzt haben müssen, Mythen und Legenden, Prophezeiungen, Folklore und so weiter. Daraus sollen sie ihre eigenen christlichen Passionsmythen gebastelt haben. Nach dieser Ansicht war es also ein intertextuelles Phänomen, und damit können die meisten leben, also wird munter spekuliert: Der eine sagt, sie haben ein bisschen bei Homer kopiert, der andere sagt, es kommt in Teilen von König Romulus, ein paar sagen, es ist eine heterogene Mischung aus diversen heidnischen und jüdischen Legenden. Viele aber behaupten, dass es ein typologisches Phänomen war. Das bedeutet aber nichts weiter, als dass sich die Theologen eine Hypothese ausdenken und dann annehmen, dass die Evangelisten genauso wie sie dachten. Sie sollen sich also aus der jüdischen Bibel bedient haben, worin sie nach alten Prophezeiungen suchten, und sollen dann ihren Passionsbericht mit diversen Wundern aus diesen Quellen angereichert haben… und pronto: wir haben eine Erfüllung in Christus, ex post facto.

‚‚Wenn man das Fass Intertextualität aufmacht, dann muss man sich auch mit den Quellen über Caesars Tod beschäftigen, denn da finden wir alle Wunder wieder…’’

Was aber genau die jüdischen Urtexte waren, können uns die Theologen nicht sagen. Vermutet wird dieses und jenes, das Buch Amos zum Beispiel. Belegen aber können sie es nicht. Nur leider ist davon eben auch abhängig, wie die Passion interpretiert wird: Ist Gott anwesend, ist er abwesend, trauert er, nimmt er Rache, ist es ein Vorgeschmack auf das jüngste Gericht, auf den sogenannten Tag des Herrn, ist es Struktur, ist es Chaos, ist es ein Blick auf die Endzeit oder doch auf die Vorzeit vor der Schöpfung? Egal wie man es theologisch dreht und wendet, wo man den Horizont ansetzt, textuell kann man auch mit der jüdischen Bibel keine belastbaren Übereinstimmungen konstruieren. Wahrscheinlichkeitstheoretisch ist das nicht mehr als Zufall. Im Prinzip ist es ein Rückfall ins frühe 20. Jahrhundert, in eine Zeit, in der viele Forscher sich in der sogenannten „Parallelomanie“ ergingen – hiervon ein bisschen, davon ein bisschen. Es reicht anscheinend aus, dass sich die Theologen angezogen fühlen und Dinge in den Text hineinlesen: viele Ideologien, viele persönliche Vorlieben, aber nichts Handfestes. Es mehren sich jedoch die Stimmen, die sagen, dass wir nur wissen, dass wir nichts wissen. Eines wird aber übersehen: Wenn man das Fass Intertextualität aufmacht, dann muss man sich auch mit den Quellen über Caesars Tod beschäftigen, denn da finden wir alle Wunder wieder, alle Vorzeichen, alle Katastrophen: Dunkelheit, Erdbeben, die Auferstehung der Toten, Zerstörung im Tempel, um nur einige wenige zu nennen. Es ist derselbe Kataklysmus. Nicht der gleiche: derselbe, exakt derselbe.

DE JISTER: Was sind die wichtigsten Übereinstimmungen?

Arne Eickenberg: Allgemein muss natürlich die sonderbare lange Dunkelheit genannt werden, allein schon weil sie in so vielen Texten prominent im Vordergrund steht, sowohl in den christlichen Texten als auch in den Caesarquellen. Die sechste Stunde ist für sich genommen bereits ein wichtiger Ankerpunkt – natürlich, deswegen auch der Titel meines Buches. Speziell ist jedoch die Auferstehung der Toten ein interessanter Aspekt, in Wahrheit die Auferstehung der „Heiligen“, wie Matthäus schreibt. Das ist auf den ersten Blick eine völlig abstruse Sache, und auch für Theologen schwierig zu deuten. Doch die auferstehenden Toten, darunter sogar Heilige und geöffnete Heiligengräber, finden wir auch in den römischen Texten, als Prodigien bei Caesars Tod.

DE JISTER: Aber ist das nicht genauso abstrus?

Arne Eickenberg: Nur wenn wir es mit einem oberflächlich rationalistischen Blick betrachten. In der Antike gab es auch andere Totenerscheinungen – nicht häufig, aber es gab sie. Das waren Warnungen, Symbole für Krisen. Man darf nicht vergessen, dass die allermeisten Menschen damals an Prodigien und Omen geglaubt haben.

DE JISTER: Aber real auferstanden sind die Toten auch bei Caesar nicht.

Arne Eickenberg: Das gilt nur auf den ersten Blick, denn wir können es historisch erklären: Es war ein tatsächliches Ereignis, welches lediglich mythologisiert wurde. Was das für ein Ereignis war… nun, das kann man im Buch nachlesen. Aber die Toten sind nur einer der Bausteine. Andere Parallelen gibt es zuhauf, zum Beispiel den blutroten Mond. Auch der zerrissene Schleier im Tempel hat eine interessante textuelle Entstehungsgeschichte. Vergessen dürfen wir auch die ganzen anderen christlichen Texte nicht, apokryphe Schriften, apokalyptische Texte, die christlichen Poeten und Kirchenväter. In vielen von diesen Texten gibt es weitere Belege für eine Abhängigkeit von den Caesarquellen. Manchmal sind es ungewöhnliche neue Wunder, manchmal Variationen auf die Wunder im Kanon, aber keine der Alternativen und Varianten können wir schlüssig erklären – außer mit den Caesarquellen.

DE JISTER: Gilt es als Beweis, dass die Texte und Perikopen sich ähneln?

Arne Eickenberg: Vorneweg: Zum einen sind es keine Ähnlichkeiten, sondern vollständige Übereinstimmungen. Wenn es nur Ähnlichkeiten wären, würde es eine Veröffentlichung nicht rechtfertigen. Zum anderen gehöre ich nicht zu denjenigen, die kategorisch behaupten, dass wissenschaftliche Theorien nicht bewiesen werden können, dass man auch an sie nur glauben kann. Aber es gibt immer jemanden, der was zu meckern hat, vor allem beim Thema Religion. Also sollten wir lieber diplomatisch von Belegen und Indizien sprechen. Aber am Ende sind es ja alles nur Beobachtungen, die im Prinzip jeder nachvollziehen kann. Das Wort Beweis hingegen ist für die meisten schwierig, es kommt mittlerweile nur noch den wenigsten leicht über die Lippen. Also würde ich lieber tiefer stapeln und sagen, dass es weitere Belegstücke sind, wichtige Belegstücke dafür, dass die Theorie von Francesco [Carotta] korrekt ist. Klar, für mich selbst ist es auf theoretischer Ebene ein open-and-shut case, wie man so schön sagt. Aber auch wenn die Theorie wasserdicht ist, reicht das natürlich nicht aus: Skeptisch bleiben muss man gegenüber den eigenen Erkenntnissen immer, muss bereit sein, die eigenen Resultate wieder infrage zu stellen, nicht nur die der anderen. Nur so kommt man weiter. Es sind seltsame Gefilde, und da gibt es nicht immer einen direkten Weg. Wichtig ist aber, dass wir eine Theorie haben, die auch funktioniert.

DE JISTER: Wie kann man ihre Untersuchung qualifizieren? Ist sie historisch, ist sie linguistisch?

Arne Eickenberg: Irgendwie ist sie doch etwas ganz neues, nicht wahr? Aber dann auch wieder ein netter postmoderner Crossover. Alte Geschichte steckt natürlich darin, Religionsgeschichte, primär die christliche Geschichte, aber auch die von anderen antiken Religionen und Kulten; die Liturgie ist ebenfalls wichtig, Archäologie, Münzkunde; und ohne Textkritik, Linguistik und Philologie kommt man nicht aus, aber es ist eine eher ungewöhnliche Art der Philologie, da wir es ja mit einfachen Schriften zu tun haben, nicht mit der antiken Hochkultur. Zu guter Letzt kommen noch die Naturwissenschaften dazu, die Geologie zum Beispiel. Aber all das liegt ja in der Natur der Sache: Wenn wir den geschichtlichen, kultischen und textuellen Ursprung einer Religion und ihrer heiligen Texte ausgraben wollen, dann tangiert das natürlich sehr viele Bereiche. Und gerade die Komplexe Caesar und Christentum sind sehr groß, sehr reichhaltig.

DE JISTER: Wie sehen Sie das Verhältnis zwischen Caesar und Christus?

Arne Eickenberg: Caesar war selbst „Christus“. Dafür liefere ich ja im Buch genügend Belege. Also gibt es kein Verhältnis zwischen Caesar und Christus, denn es ist ein- und dieselbe Figur in verschiedenen Zuständen, die in gewisser Weise überlagert sind. Konkret sind es zwei verschiedene literarische Komplexe, die über ihn verfasst wurden, auf der einen Seite die römischen Hypotexte, darunter natürlich auch die Geschichtswerke, auf der anderen Seite die christlichen Hypertexte, die Evangelien und so weiter. Um einen Dualismus handelt es sich allerdings nicht. Christus ist nicht das Yin zu Caesars Yang. Wir sehen halt bei dem einen nur das Yin, bei dem anderen nur das Yang. Es ist der Anschein eines Dualismus. Otto Seel, der deutsche Altphilologe, hat über Caesar mal sinngemäß geschrieben, dass Caesar alles war, und von allem auch das Gegenteil. Dasselbe könnte man auch von Christus sagen. So oder so ist es eine paradoxe Bemerkung, aber eben auch eine perfekte Beschreibung für Gott, meinen Sie nicht?

DE JISTER: Womit wir beim nächsten Thema wären: Hat ihre Untersuchung theologische Konsequenzen?

Arne Eickenberg: Das müssen ehrlich gesagt die Theologen entscheiden. Unsere Aufgabe ist eigentlich eine ganz andere. Eine Frage hat mich allerdings in letzter Zeit ein bisschen beschäftigt: Wenn das Evangelium bereits ein theologisches Werk ist, eine „Erzählung über Gott“, ist dann die Arbeit der nachfolgenden Theologen überhaupt nötig? Sind sie nicht einfach nur Epigonen? Was ist der Sinn einer Theologie von einer Theologie? Oder in Genettes Worten: Was wäre der Sinn einer Theologie „auf der zweiten Stufe“? Klar, es hat das Christentum geformt, so wie wir es heute kennen, es hat auch zu vielen verrückten Sichtweisen auf die literarische Figur „Jesus“ geführt, aber nicht erfasst wird davon der Ursprung des ganzen, der Ursprung der Theologie auf der ersten Stufe. Aber solange es das Christentum gibt, werden Theologen immer etwas zu tun haben, das geht Hand in Hand mit dem Amen in der Kirche, und das meine ich nicht sprichwörtlich. (lacht)

DE JISTER: Wäre eine neue Theologie denkbar?

Arne Eickenberg: Eine, die sich den Caesartexten zuwendet?

DE JISTER: Richtig.

Arne Eickenberg: Schwierige Frage. Da das Evangelium für sich genommen keine History erzählt, sondern nur eine Story, die aus der History von Julius Caesar enstanden ist, stößt man natürlich immer auf große Hürden und Ungereimtheiten. Warum? Der ausschließliche Blick auf das Evangelium ist das dicke Problem – es ist der Blick durch ein Schlüsselloch. Die Forscher sehen hindurch, meinen eine Art von Historie zu erkennen, sehen aber nur einen winzigen Ausschnitt, also wird extrapoliert, wild spekuliert, was da sonst noch hinter der Tür ist, aber am Ende geht nichts ohne den Schlüssel. Man muss die Tür aufmachen, wenn man es genau wissen will. Und bei geschlossener Tür gibt es nicht nur ein Ahistorizitätsdilemma, sondern auch, wenn man so will, ein antitheologisches Dilemma: An der einen Stelle im Evangelium steht dieses, und an der anderen Stelle das genaue Gegenteil. Man könnte die Caesartexte heranziehen, wenn man mit den christlichen Quellen nicht mehr weiterkommt, doch ob die Theologen das irgendwann auch so machen, das steht in den Sternen. Es könnte aber nötig sein.

DE JISTER: Wieso?

Arne Eickenberg: Nehmen wir unseren konkreten Fall. Wenn die Dunkelheit bei der Kreuzigung hypertextuell von den Caesarquellen abhängt, wie will man sie dann theologisch korrekt interpretieren, wenn nicht mit jenen Caesarquellen? In rein christlicher Deutung ist man auf keinen grünen Zweig gekommen. Da stand die Finsternis entweder für Trauer, Scham, Zorn oder für göttliche Gerichtsbarkeit und so weiter, abhängig immer von den persönlichen Vorlieben des jeweiligen Theologen. In Wahrheit aber war die historische Dunkelheit eine Warnung, eine göttliche Warnung. Das ist eine der möglichen Deutungen, die wir in den römischen Quellen finden, und sie ließe sich vorzüglich christianisieren, wenn da nicht ein kleines Problem wäre: Die Passion ist gekürzt, chronologisch eingedampft. Historisch geschah die Finsternis zur sechsten Stunde am Tag zuvor. Im Evangelium geschieht es aber zeitgleich, also kann man, ja darf man es nicht mehr als Warnung deuten.

DE JISTER: Kann man solche Problem lösen?

Arne Eickenberg: Wenn sich in den Urquellen keine passende Alternative findet, dann gar nicht. Das geht auf das Kernproblem der Evangelien zurück: Es sind Hypertexte, sie sind nicht das Original. Es sind Neuschreibungen, modern Remakes, also kann man sie nicht mehr einfach mit dem Original in Einklang bringen, mit den Hypotexten. Wissenschaftlich und textkritisch geht das locker, insofern sind wir hier im Vorteil, aber was die Theologie angeht, ist der Rubicon in vielen Fällen überschritten – beziehungsweise eher der Jordan. (lacht)

DE JISTER: Ist eine Ko-Existenz vielleicht möglich?

Arne Eickenberg: Nur mit einer stärkeren Trennung von Wissenschaft und Glauben – so ist jedenfalls meine Meinung. Das Problem ist aber, dass vieles von dem, was uns in Bezug auf das Christentum und Jesus als wissenschaftliche Erkenntnisse verkauft wird, in Wahrheit gar nicht wissenschaftlich begründet werden kann, sondern ebenfalls aus dem Glauben entstanden ist, teilweise auch aus einem völlig modernen Glauben. Methodologisch ist da auch so einiges zu kritisieren. Ganz bescheiden könnten wir also sagen: Seht her, wir bieten euch eine Alternativlösung an: Das Evangelium ist das Produkt einer diegetischen Transposition.

DE JISTER: Und wie reagiert die wissenschaftliche Gemeinde auf die Theorie von Francesco Carotta?

Arne Eickenberg: Eine „wissenschaftliche Gemeinde“ existiert nicht. Gut, wenn es um das Christentum geht und den Mythos vom sogenannten „historischen Jesus“, dann kann man auch bei den Wissenschaftlern vielleicht von einer „Gemeinde“ reden. Vielleicht. (lacht) Es wird so getan, als gäbe es einen Konsens, aber am Ende backt jeder in dieser Gemeinde seine eigenen Brötchen. Aber wir können schon sagen, dass die individuelle Zustimmung zu unserer Theorie bislang umfangreicher war als man vielleicht denken würde, nicht nur hinter den Kulissen. Aber die meisten dieser Reaktionen sind eher zaghaft positiv, ganz abgesehen davon, dass es natürlich auch jene gibt, die sagen, dass man uns doch lieber gleich einweisen sollte. (lacht)

DE JISTER: Stört Sie das?

Arne Eickenberg: Nein, eigentlich nicht, denn diese Reaktionen sind ja verständlich, und das nicht nur auf psychologischer und ideologischer Ebene, sondern auch strukturell: Die „Gemeinde“ hat sich über die letzten ein bis zwei Jahrhunderte ihre gemütliche Ecke gebastelt, und wir passen halt vorne und hinten nicht rein. Das Runde geht eben nicht ins Eckige, außer im Fußball. Also muss man ehrlich sein und sich fragen: Was ist hier das Problem? Unser Rundes? Oder deren Eckiges? Und wenn wir wirklich ehrlich sind, ist die Frage längst beantwortet, nicht zuletzt aus den Reihen der mythologischen Schule: Das Eckige ist das Problem.

DE JISTER: Welche Lücken gibt es noch für weitere Forschung?

Arne Eickenberg: Die Theorie ist wasserdicht, aber das bedeutet natürlich nicht, dass wir jedes Phänomen, das wir entdecken, sofort einordnen können. Vieles von dem, was damals passiert ist bei der textlichen Übertragung, liegt noch im Dunkeln, vor allem was die apokryphen Schriften angeht. Da muss man auch eine stärkere Kontamination der Texte erwarten, abhängig von der Entstehungszeit zum Beispiel auch eine stärkere Judaisierung, Ägyptisierung oder Chaldäisierung. Aber die Theorie sagt ganz bestimmte Dinge in sehr klarer und simpler Art und Weise voraus. Bislang ist besonders das Evangelium nach Markus sehr gut erfasst. Bei den anderen Schriften gibt es aber noch jede Menge Schätze zu heben. Wenn wir uns nur mal den Kanon anschauen, dann ist da die Apostelgeschichte, die Offenbarung des Johannes, und nicht zuletzt all das Sondergut in den Evangelien neben Markus. Wenn die Theorie stimmt – und momentan sieht es wirklich so aus – dann wird das eine Aufgabe für Generationen.

ArneEickenberg_042015-1

Arne Eickenberg

DE JISTER: Sie sind, neben Historiker und Umweltingenieur, auch Komponist. Klingt die Matthäuspassion für Sie nun anders?

Arne Eickenberg: Nein, denn sie ist ja in einer bestimmten Zeit vor einem bestimmten kulturellen Hintergrund entstanden. Sie ist wie sie ist. Wenn ich eines aus unserer Forschung gelernt habe, dann dass man nichts eigenes in die Texte hineinlesen darf. Das überlassen wir lieber den Theologen. Genauso sollte man nichts in ein Stück Musik hineinlesen. Ich erkenne zwar die Regeln dahinter, alles von den Noten bis zur Akustik, aber am Ende funktioniert Musik auch für mich primär auf emotionaler, instinktiver Ebene. Musiktheologie ist nicht mein Ding, wenn wir es denn so nennen wollen. Natürlich gibt es bei Bach & Co. einen Metatext: Es ist christlich definierte Musik, aber das ist eventuell auch ein Problem. Um mal beim Bild der Musik zu bleiben: Die Matthäuspassion und andere vergleichbare Werke sind Teil der religiösen Echokammer namens Christentum, und in dieser Kammer schwirren seit Jahrhunderten die sekundären Signale herum, das Echo, der Nachhall, und das hat den Originalklang längst übertönt, überlagert.

‚‚Der Schöpfer war Caesar, er war der Conditor, der Ktistes, der Gründer der Kolonien, der Schöpfer des Reiches, der Parens patriae und Gott der Veteranen aus den Bürgerkriegen.’’

DE JISTER: Christus ist also das Echo, und Caesar der Originalklang.

Arne Eickenberg: Meine Analogie war vielleicht nicht die beste, aber ja, so ähnlich, und das Christentum konnte nur entstehen, weil es einen Raum gab für die Reflexion des Originalsignals. Genau wie in der Musik: Ohne Raum kann sie gar nicht existieren, nicht ohne kulturellen Raum, aber vor allem nicht ohne echten Raum, ohne Widerhall: Klang ist in Wahrheit Verklang. Wenn aber der Raum zu groß wird, haben wir ein Problem: Dann hört der Nachhall nicht auf, es gibt jede Menge Überlagerungen, man kann nicht mehr gut lokalisieren, alles verschwimmt.

DE JISTER: Schafft die Religion nicht ihren eigenen Raum?

Arne Eickenberg: Von Kultus zu Kultur, richtig. In unserem Fall vor allem auch ausgehend von der Kultivierung des Raumes, des Ackers, das Christentum als Religion der Bauern, der Kleinbauern – alles schon bei Caesar. Aber es war der Raum, den der Schöpfer ihnen gegeben hat.

DE JISTER: Ich dachte, Theologie wäre nicht ihr Ding.

Arne Eickenberg: (lacht) Es ist eigentlich eine ganz handfeste Sache: Der Schöpfer war Caesar, er war der Conditor, der Ktistes, der Gründer der Kolonien, der Schöpfer des Reiches, der Parens patriae und Gott der Veteranen aus den Bürgerkriegen. Alles ist bereits im Anfang, auch der ursprüngliche Raum, im wahrsten Sinne der Nährboden. Und dann kamen die Tempel, die Kirchen und Kathedralen, und das Echo wurde riesig, nicht nur im akustischen Sinn. Wir müssen also aus der Echokammer raus, wir müssen den Raum öffnen, wenn wir das Originalsignal wieder hören wollen. Und am Ende werden wir merken, dass wir nicht ein neues Verständnis von Bach & Co. brauchen, denn das ist ja alles nur Teil des religiösen Echos. In Wahrheit brauchen wir eine neue Musik, immer wieder neue Musik. Die wird vielleicht auf die ganz alte zurückgreifen, aber es wird unerhört klingen.

INTERVIEW: JAN VAN FRIESLAND, Journalist

Poppenwier, Berlin: 17. & 20. Juni 2015

(Das Interview wurde per Chat und E-Mail geführt. Nach einem Folgegespräch wurden einige Passagen im August 2015 erweitert.)

http://tu-berlin.academia.edu/ArneEickenberg/Books

Gepost door: dejister | 4 april 2015

Ontmoet Sint Columba keizer Claudius?

St_Columba_of_Iona_CNA_US_Catholic_News_6_7_13

Sint Columba

Via het proces van diëgetische transpositie, het herschrijven en hergebruiken van teksten die aan eigen tijd, doelgroep, geografie en sociaal-culturele omstandigheden worden aangepast, kan worden verklaard hoe heiligenlevens opdoemen en elementen in zich dragen die uit een andere tijd en context komen en kunnen worden verweven met geschiedenis ter plekke. De theorie van Francesco Carotta, die impliceert dat de cultus van Divus Julius zich heeft omgevormd, tot het (latere) Christendom, is gebaseerd op de aanname van diëgetische transpositie. Het evangelie is herschreven. Wie eenmaal dit verklaringsmodel hanteert, krijgt een heel ander landschap voor ogen. Laten we eens, als kleine werkhypothese op dit eenvoudige blog, een heiligenleven tegen het licht houden. We nemen het leven van Sint Columba, bijgenaamd de ‘kerkduif’. Hij moet zijn geboren op 7 december 521 AD en overleden op 9 juni 597 AD. Deze heilige, die behoorde tot de zogenaamde twaalf apostelen (!) van Ierland, stichtte een grote abdij op het eiland Iona. Het heiligenleven van Sint Columba kent vele verhalen en taferelen, waaronder o.m. het verhaal van de vijf vissen, het stillen van de storm en het veranderen van water in wijn. (Die drie herkennen we ook in het heiligenleven van Jezus en in de eerdere overgeleverde levensbeschrijving van Julius Caesar.)

Ergens is sprake van een zekere Lugud Clodus, hoofdstuk 30:

‘AT another time, when the saint was staying some days in Scotia (Ireland), he saw a cleric mounted on a chariot, and driving pleasantly along the plain of Breg (MaghBregh, in Meath). On asking who the person was, the cleric’s friend made this reply regarding him: ‘This is Lugud Clodus, who is rich, and much respected by the people.’ The saint immediately answered, ‘He does not seem so to me, but a poor wretched creature, who on the day of his death shall have within his own walled enclosure three of his neighbour’s cattle which have strayed on to his property. The best of the strayed cows he shall order to be killed for his own use, and a part of the meat he shall direct to be cooked and served up to him at the very time that he is lying on the same couch with a prostitute, but by the first morsel that he eats shall he be choked and die immediately.’ Now all these things, as we heard from well-informed persons, afterwards happened according to the saint’s prophecy.’ (http://www.ucc.ie/celt/published/T201040/)

Deze korte persoonsbeschrijving van Lugud Clodus vertoont grote overeenkomsten met keizer Claudius die geboren was in Lugdunum (Lyon) op 1 augustus 10 BC en overleed op 13 October 54 AD:

Lugdunum   >  Lugud

Claudius   >   Clodus

Bij Claudius is er sprake van grote rijkdom, zijn vrouw Valeria Messalina wedijverde met een prostituee wie de meeste mannen kon ‘afwerken’ in een nacht en Claudius werd uiteindelijk vergiftigd. Hergebruik en herschrijven van teksten maakt de ratio achter een heiligenleven plausibel. Nadere studie zou verder kunnen aantonen of er meer parallellen traceerbaar zijn, zoals: 

                                                 Ionië (Italia) > Iona

(work in progress)

Gepost door: dejister | 16 maart 2015

IDUS VAN MAART

images-13

Een nieuwe tijd, een nieuw begin…

‘Want Caesars’ rouwplechtigheid is een van de belangrijkste gebeurtenissen uit de Nieuw Testamentische geschiedenis. Van klaagrituelen bij lijdende en stervende goden was sinds lange tijd al sprake in de antieke oriënt. Maar hier zijn de lijdensgevoelens verbonden met de gewelddadige dood van een mens van vlees en bloed, en deze mens is de moedigste politicus die de antieke oudheid ooit heeft gekend. Bij Caesars’ lijden en dood wordt het politieke evangelie van zijn vergevinsgezindheid tot grote droefheid, een aanklacht en een roep om gerechtigheid. Niettemin wordt hier vooruitgelopen op bepaalde motieven’ die – al 75 jaar voor de dood van Jezus – later een grote betekenis krijgen in de Goede-Vrijdag liturgie van de Roomse mis.’

Ethelbert Stauffer, Jerusalem und Rom im Zeitalter Christi, Bern 1957, p. 21 (Vertaling uit Duits)

Wat betreft tradities en teksten die niet (meer) herleidbaar zijn tot hun oorspronkelijke bron, grijpen hun duiders uiteindelijk verward rond als stamelende doven in het donker. In die fase bevindt het Christendom zich nu, nu theologen in toenemend aantal de Christus maar gaan afschaffen. Wat het Christendom betreft, en de krachtige bewijsvoering die Francesco Carotta (et al) leveren met betrekking tot het bepalen van de bijzettingsdatum van ‘de Christus’ van vlees en bloed, van de verraden en omgebrachte Gaius Julius Caesar, is een herindeling op zijn plaats. Mijn voorstel: het ‘historische Christendom’ begint op de 15e maart (-44) als Caesar om het leven wordt gebracht. En op de derde dag is zijn apotheose: de uitvaartplechtigheid op het Forum Romanum, die op 17 maart (-44) plaatsvond. Ook zou dan de paasweek of de Semana Santa moeten beginnen op of rond 15 maart in het jaar. Misschien ook nog beter voor de meubelboulevards.

Unknown-1 

Probleem is wel wat we met de kerst doen, omdat Caesar medio juli is geboren. En om nu midden in de zomer naast de kerstboom te gaan zitten, is ook weer zo wat. Trouwens ‘wat we met de kerst doen’ is ook altijd al een probleem geweest. Mogelijk ook omdat we, zonder het te beseffen, in oorsprong de geboorte van Octavianus vieren. Terug dus naar oertekst & oergeschiedenis van het Christendom, voor wie de geschiedenis wil snappen. 

Carotta:

‘The disguise that the apokryphal gospels constitute, in fact, survived only a few decades respectively. If the canonical ones survived longer—for two millennia by now—it is because they were closer to the original story of Caesar, of which they provided the first transposed rewriting, i. e. the written form of a local reading of a preexisting and underlaid universal text. But, although its half-life period is therefore much longer, the biological clock is ticking for the canonical scripture as well, simply because it is not an original, but the first transposition. Its hypotext however, if it is the real one, and not a fantasized-for pseudo-hypotext, can provide the invigorating source for the hypertext, as a consequence prolonging its life and perhaps ensuring its survival.’  

(From: Fulvia: The Mother of Christianity?, FRANCESCO CAROTTA. Postprint version. Translated into English by Joseph Horvath and Mary T. Treglia. – June 2013. http://www.carotta.de )

Unknown

Gepost door: dejister | 4 januari 2015

FULVIUS DE BOER CONTRA ANTON VAN HOOFF

images-3

images-12

  Anton van Hooff

                                             Was Jezus eigenlijk Caesar?                                

 Een les in de pseudowetenschap ABG 67 (2008)

HET EVANGELIE VAN CAESAR. ZOEKTOCHT NAAR DE WARE CHRISTUS Jan van Friesland

WAR JESUS CAESAR? EINE SUCHE NACH DEM RÖMISCHEN URSPRUNG DES CHRISTENTUMS Francesco Carotta

– Vakmatige beoordeling archeologie: Prof.dr. Erika Simon

– Vakmatige beoordeling linguïstiek: Dr. Fotis Kavoukopoulos

– Vakmatige beoordeling theologie: Gert Lüderitz, epigrafisch specialist

**********************************************************************

Het idee van de Italiaanse oud-seminarist Francesco Carotta dat Jezus eigenlijk Caesar was, werd onlangs opnieuw tot leven gewekt door een documentaire die Jan van Friesland voor de VARA maakte. Alleen in Nederland hebben opiniemakers en academici zich laten overtuigen door het Evangelie van Carotta. Als docent klassieke geschiedenis moet je vaak antwoord geven op onmogelijke vragen. Of het bijvoorbeeld waar is wat Dan Brown in The Da Vinci Code schrijft. En wat je van de theorieën van Immanuel Velikovsky of Erich von Däniken vindt. Met Brown ben je gauw klaar; hij heeft nadrukkelijk verklaard dat de plot van zijn roman niet meer dan een schrijversfantasie is. Maar met echte wetenschappelijke kwakzalvers is het moeilijker afrekenen. Hoe moet je bijvoorbeeld bewijzen dat de psychoanalyticus Velikovsky in Worlds in Collision (1950) een hersenspinsel schiep met zijn theorie dat de aarde in de oertijd catastrofale contacten met andere planeten had? De controversiële auteur Von Däniken meent allerlei raadselen te kunnen verklaren door aan te nemen dat de evolutie en de menselijke cultuur regelmatig een zetje hebben gekregen van buitenaardse bezoekers. Waren de goden kosmonauten? (1968) is het bekendste van zijn 26 boeken, samen goed voor ruim zestig miljoen verkochte exemplaren: geloven betaalt beter dan weten. Zoals alle pseudowetenschappers is Von Däniken volstrekt niet gekwalificeerd in de gebieden waarop hij zich wetenschappelijk gezag toe-eigent. In zijn schooltijd heeft hij filosofische, theologische en archeologische boeken verslonden, maar kwam daarna als goede Zwitser in het hotelvak terecht. Het ontbreken van een vakinhoudelijke bevoegdheid zien de pseudowetenschappers en hun aanhangers volstrekt niet als een nadeel. Zij zouden juist de onbevangen blik van de buitenstaander hebben. Helaas, zo menen zij, blijft de ‘gevestigde’ wetenschap blind voor de waarheid die zij in pacht hebben: heeft Heinrich Schliemann niet de officiële wetenschap beschaamd door zijn spectaculaire opgraving van Troje?

‘PSEUDOWETENSCHAPPERS ZIJN BIJ AL HUN MINACHTING VOOR DE VERSTOKTE, OFFICIËLE GELEERDEN TUK OP WETENSCHAPPELIJKE STEUN.’

De algemene kenmerken van het ‘Schliemann-syndroom’, verongelijktheid en gebrek aan gediplomeerde kennis, vinden we ook bij Francesco Carotta, een Italiaanse oud-seminarist die hier en daar wat filosofie en taalkunde heeft gestudeerd. Sinds 1999 verkondigt hij de opvatting dat Jezus eigenlijk Caesar (100-44 v.Chr.) was. Normaal zou ik over zulke evidente apekool mijn schouders hebben opgehaald, maar toen deze theorie in 2002 Nederland bereikte, heb ik geprobeerd vrijzinnige geestverwanten als Paul Cliteur en Thomas von der Dunk voor een dwaling te behoeden. Het was vergeefse moeite. Kijk maar eens op Carotta’s website (www.carotta.de): daar hebben deze Nederlandse academici zichzelf in het schandblok gezet. Merkwaardig genoeg heeft Carotta alleen in Nederland bijval gekregen in universitaire kring. Dit bracht me ertoe me te verdiepen in Carotta’s hypothesen en bewijzen. Deze analyse stelde me vervolgens in staat de mechanismen van alle pseudowetenschap te benoemen. Ik behoor dus niet tot die hooghartige wetenschappers die niets willen weten van een ontdekking die volgens Cliteur belangrijker is dan die van Darwin en Galilei (Metro, 29 oktober 2007). De opzienbarende lofprijzing van deze zelfbenoemde apostel van de verlichting werd gebruikt in de publiciteitscampagne die documentairemaker Jan van Friesland behendig op touw had gezet. Op 2 november 2007 werd namelijk een voorvertoning gegeven van zijn op Carotta gebaseerde film Het evangelie van Caesar. Zoektocht naar de ware Christus. De VARA heeft deze productie, waaraan Van Friesland jaren heeft gewerkt, aangekocht. Deze actualisering van Carotta vormde de directe aanleiding voor dit artikel. Toen ik eraan begon, stond een nieuwe uitgave van War Jesus Caesar? op uitkomen. Die had ik dan ook graag verwerkt, maar om onnaspeurbare redenen is de publicatie verschoven naar februari 2008. Uitgever Ludwig in Kiel kon me niet vertellen in welk opzicht de nieuwe War Jesus Caesar? Eine Suche nach dem römischen Ursprung des Christentums behalve wat de ondertitel betreft verschilt van War Jesus Caesar? 2000 Jahre Anbetung einer Kopie uit 1999. We mogen echter met een gerust hart aannemen dat er fundamenteel niets is veranderd in Carotta’s opvattingen en redeneringen. Ik ga hier daarom maar uit van de in 2002 verschenen Nederlandse vertaling Was Jezus Caesar? Over de Romeinse oorsprong van het christendom. Een onderzoek en de Engelse versie die Uitgeverij Aspekt in 2005 uitbracht onder de stellige titel Jesus was Caesar. On the Julian Origin of Christianity.

‘DE THEORIE DAT JEZUS EIGENLIJK CAESAR WAS, IS EVIDENTE APEKOOL.’

Een oppervlakkige verkenning maakt al achterdochtig. De lovende recensie uit een Duitse krant op de achterflap is niet van de Frankfurter Allgemeine Zeitung of Die Zeit, maar komt uit de Berliner Tageszeitung. Verder zijn er wat beleefde woorden van de gerenommeerde archeologe Erika Simon. In het colofon wordt deze bejaarde archeologe opeens gebombardeerd tot de vakmatige beoordelaar archeologie van het hele boek. Op mijn vraag aan haar of zij inderdaad Carotta’s bewering geloofde dat Neptunus’ drietand door uitbuiging van de buitenste tanden tot de staf van Johannes de Doper werd – een lange staak met een dwarsstangetje – deed zij er wijselijk het zwijgen toe. Voor de vakmatige beoordeling van de linguïstiek tekende niet een erkende graecus, uit Italië of Duitsland, waar Carotta thuis is, maar ene dr. Fotis A Kavoukopoulos van Kreta. De theologie werd gefiatteerd door een zekere Gert Lüderitz, ‘epigrafisch specialist’; alweer iemand die zich dus niet bij zijn leest, inscripties, houdt. Hij heeft overigens zijn vakgebied al lang verlaten en werkt als verpleegkundige in de kinderpsychiatrie in Tübingen. Pseudowetenschappers zijn bij al hun minachting voor de verstokte, officiële geleerden tuk op zulke wetenschappelijke steun. Bij nadere beschouwing blijken hun supporters echter niet over de vereiste competenties te beschikken. Deze vaststelling geldt ook voor de Nederlandse carottisten: Paul Cliteur en Andreas Kinneging zijn eerzame rechtsfilosofen, Thomas von der Dunk noemt zich cultuurhistoricus en A.P.J. (Tommie) Hendriks, die het evangelie van Carotta naar Nederland bracht, is ‘functiepsycholoog’. Als je ze aanspreekt op de vakmatige dwaasheden die Carotta verkondigt, verschuilen ze zich opeens achter hun beperkingen. Maar een echte wetenschapper beseft de grenzen van zijn weten. Zodra hij op een ander vakgebied dreigt te komen, raadpleegt hij spoorslags een deskundige collega. De Leidse rechtsfilosofen hadden hun conclusie pas mogen trekken nadat ze bij een graecus of een historicus van de antieke godsdienst en het vroege christendom te rade waren gegaan.

‘LEERDEN WE AL NIET OP DE LAGERE SCHOOL DAT DUIZEND KEER NUL OOK NUL IS?’

Bekijken we verder het omslag van Carotta’s Was Jezus Caesar? Links is een Caesarkop afgebeeld. Het heeft vouwen en groeven, een staaltje van het heerlijke Romeinse realisme in de portretkunst dat zelfs pukkels met liefde plastisch weergeeft. Carotta maakt van deze oudere dictator de ‘Lijdende Caesar’. Maar deze voorstelling van de vereerde leider wordt niet door bronnen ondersteund. Zij past bovendien niet binnen antieke voorstellingen van goden. Naast deze Lijdende Caesar staat Jezus als de Man van Smarten, met doornenkroon en al. Waar die voorstelling vandaan komt, wordt wijselijk niet vermeld. Iedereen met enige kennis van cultuurgeschiedenis ziet immers dat het op zijn vroegst een voorstelling uit de late middeleeuwen kan zijn. Pas dan wordt namelijk het menselijke in de Godmens benadrukt. De gekruisigde Christus is tot ver in de middeleeuwen alleen de goddelijkheid die de mensheid aan het kruis hangt te verlossen. Christenen schrokken er overigens lang voor terug om de verlosser uit te beelden aan het infame executie-instrument dat het kruis was. Het duurde eeuwen voordat zij de ergernis van het kruis, het scandalum crucis, te boven waren. De eerste officiële uitbeelding van een onbewogen, majesteitelijke Christus aan het kruis dateert uit circa 430. Niettemin veronderstelt Carotta dat de voorstelling van de Lijdende Caesar – die dus niet bestond – is omgegoten in die van de Lijdende Jezus – die toen ook niet bestond! Carotta’s idee-fixe schept zelfs een crucifix van Caesar. Van de begrafenis van de vermoorde dictator maakte Caesars partijganger Marcus Antonius een heel spektakel. Beroemd is de redevoering die Shakespeare hem bij die gelegenheid in de mond legt: ‘Friends, Romans, countrymen, lend me your ears’, met de bijtende herhaling ‘For Brutus is an honourable man’. Om de emoties van het volk nog meer te bespelen, liet Marcus Antonius boven op de baar een beeld van Caesar bevestigen aan een mèchanè, een hijsinstallatie. Carotta weet zeker dat deze beeltenis aan een soort kruis hing. Zo construeert hij weer een van de ‘frappante’ parallellen die hij nodig heeft om zijn hypothese te onderbouwen dat het leven van Jezus een verbastering is van dat van Caesar. Maar de bronnen spreken niet van een kruis. En gezien het sinistere van een kruis zal iedere associatie hiermee zijn vermeden. Ter vergelijking stelt men zich voor dat boven op de auto die het lichaam van Pim Fortuyn naar Westerveld bracht, een pop was bevestigd met de beeltenis van de dode hangend aan de galg! Verder beweert Carotta dat veteranen van Caesar in Palestina ondergronds zijn cultus hebben voortgezet en Julius Jezus hebben genoemd – die namen lijken ‘verbluffend’ veel op elkaar. Maar waarom zou er geheimzinnig zijn gedaan met de verering van de vergoddelijkte Caesar? Hij was de stichter van de dynastie van de Iulii-Claudii, die tot 68 na Christus regeerde. De vorsten droegen vol trots de naam Caesar, die tot een titel werd. Vandaar ons ‘keizer’ en het Russische ‘tsaar’. De Oranjeklanten zweren Willem de Zwijger toch ook niet af? Carotta’s bewering dat Caesars veteranen de cultus van hun generaal stiekem levend hielden te Caesarea in Palestina, is in tegenspraak met de historische feiten. De stad werd door Augustus aan Herodes de Grote geschonken. Diens zoon Philippos maakte hem onder keizer Tiberius tot hoofdstad van zijn tetrarchie en noemde hem Kaisareia, waarschijnlijk vooral ter ere van Caesar Augustus. Het is bovendien uiterst merkwaardig dat pas tweeduizend jaar later de maskerade Jezus = Caesar kon worden ontdekt. In de oudheid waren er genoeg tegenstanders van het christendom die iedere kans tot verwerping aangrepen: natuurlijk had Maria een slippertje begaan – liefst met een Romeinse soldaat. Jezus’ lijk was ‘natuurlijk’ in het geheim uit het graf gehaald om goedgelovigen wijs te kunnen maken dat hij was opgestaan. Maar Jezus’ bestaan is nooit in twijfel getrokken door antieke tegenstanders, die onvergelijkelijk veel dichter bij de feiten stonden dan Francesco Carotta anno Domini 2007. Kortom, Carotta’s idee heeft niet de status van een wetenschappelijke theorie, waarmee ieder onderzoek begint. Men kan natuurlijk van alles beweren, bijvoorbeeld dat apen van mensen afstammen. Of dat de Eiffeltoren in Londen staat. Leuk als wilde inval, aardig voor een roman, maar geen hypothese, laat staan een theorie. Pseudowetenschap maakt echter geen onderscheid tussen een inval en een theorie.

‘NATUURLIJK HAD MARIA EEN SLIPPERTJE BEGAAN – LIEFST MET EEN ROMEINSE SOLDAAT.’

Bij het ontbreken van een plausibele en deugdelijke theorie kunnen we eigenlijk afzien van verder onderzoek. Maar laten we voor de aardigheid toch even meegaan in de volgende onderzoeksfase, de verifiëring. Honderden argumenten zouden Carotta’s gelijk bewijzen. Een overvloed aan argumenten is typisch voor pseudowetenschap. Geen enkel van Carotta’s argumenten deugt echter. En leerden we al niet op de lagere school dat duizend keer nul ook nul is? Desgevraagd voeren de carottisten zelf de volgende argumenten als de sterkste aan: Jezus wordt in de Jordaan gedoopt en Caesar trekt de Rubico over – ze hebben alle twee dus iets met een rivier! Ze worden beiden verraden, respectievelijk door Judas en Brutus. ‘Galilea’, waar Jezus vooral predikte, lijkt verbluffend veel op ‘Gallia’ (door Caesar veroverd). Maria Magdalena, die Jezus’ voeten met mirre zalft, is natuurlijk Cleopatra die Augustus als smekeling te voet valt. Jezus Christus en Julius Caesar hebben dezelfde initialen (net zoals overigens Johan Cruijff en Job Cohen) – een ‘verbluffende’ gelijkheid die echter alleen in het Latijn opgaat. In het Grieks – de taal van het Nieuwe Testament – wordt ‘Christos’ met een chi, een X, geschreven. Zo gaat het telkens: de frappante overeenkomsten kloppen nooit helemaal en zelfs al zouden ze kloppen, dan zeggen ze niets. Neem Pilatus. Die naam zou een verhulling zijn van Lepidus. De evangelist Marcus, aan wie Carotta een centrale rol toekent, moet wel aan een ernstige vorm van dyslexie hebben geleden. Natuurlijk – ook dit is typisch voor pseudowetenschap – wordt er veel werk gemaakt van woordovereenkomsten. Zou Dr. Kavoukopoulos werkelijk voor zijn rekening nemen dat enipsa, ‘ik heb gewassen’, een verbastering is van enikèsa, ‘ik heb overwonnen’? Want als de van zijn blindheid genezen man verklaart: ‘Toen ik gegaan was en mij gewassen had, zag ik weer’ (Joh. 9:11), geeft hij natuurlijk eigenlijk Caesars befaamde ‘veni, vidi, vici’ weer. Maar waarom klopt ook de volgorde niet? Geverifieerd wordt er dus niets, gefabuleerd wordt er bij de vleet.

‘JEZUS WORDT IN DE JORDAAN GEDOOPT EN CAESAR TREKT DE RUBICO OVER – ZE HEBBEN ALLE TWEE DUS IETS MET EEN RIVIER!’

Ten slotte moet een deugdelijke theorie ook de toets van falsifiëring kunnen doorstaan. Zijn er harde gegevens die Carotta’s hersenspinsel weerleggen? Natuurlijk mag men de evangeliën als partijdige documenten buiten beschouwing laten. Maar er zijn getuigenissen van buitenstaanders, zelfs van mensen die de christenen onwelgezind waren. Zij bewijzen dat er wel degelijk een Jezus Christus heeft bestaan. De kroongetuige is Tacitus. Deze Romeinse geschiedschrijver vertelt in Annales 15.44 dat in het jaar 64 Nero de brand van Rome de christenen in de schoenen schuift. Terloops legt hij aan zijn lezers uit waar het christendom, dit ‘verderfelijke bijgeloof’, vandaan komt. De naam christiani of chrestiani was afgeleid van ene Christus die onder procurator Pontius Pilatus in Judaea was geëxecuteerd tijdens het keizerschap van Tiberius. Alle moderne tekstuitgevers van Tacitus, die echt niet meer geleid worden door christelijke sentimenten, erkennen de tekst als authentiek – de laatste editie waarin de passage werd verwijderd, dateert uit 1907. Maar dit getuigenis, dat de hele ‘theorie’ falsifieert, wordt door Carotta unverfroren als een kwalijke falsificatie afgedaan. Zo heeft de pseudowetenschap altijd gelijk: argumenten die in de kraam passen, kloppen pas na bedrieglijke bewerking, harde tegenargumenten gelden als bedrog. Carotta doet overigens niet het hele verhaal weg. Dat chrestiani mag blijven staan. Het zou niets te maken hebben met Christus, maar met het Griekse woord voor woekeraar, chrestes. Nero maakte de gehate woekeraars tot zondebokken! Maar er staat niet woekeraars, chrestai, maar ‘woekerianen’. De Latijnse uitgang -ianus betekent namelijk ‘aanhanger van’. Zo hebben we in de Romeinse geschiedenis de Mariani, Pompeiani en Caesariani. Maar wat moeten we ons in hemelsnaam voorstellen bij ‘de aanhangers van de woekeraars’? Dit verbijsterende staaltje carottaanse etymologie laat zich met honderden vermenigvuldigen. Niets klopt echt, maar ook als het laatste argument wordt weerlegd, is de gelovige nog niet overtuigd. Hij wil gewoon dat zijn geloof waar is. Daarom vielen enkele Nederlandse atheïstische geestverwanten in de val van Carotta. Ze wilden iets te graag dat Jezus een verzinsel was. Als je hen aanspreekt op hun intellectuele misstap worden ze kwaad. Cliteur noemt me in een e-mail een stalker. Deze analyse van het carottisme legt de kenmerken van alle pseudowetenschap bloot. De pseudowetenschapper is steeds een buitenstaander. Hij geniet van de miskenning door de gevestigde wetenschap, terwijl hij een argeloze overloper gretig omarmt. Zijn inval voldoet niet aan de eisen van plausibiliteit en deugdelijkheid. De verifiëring van zijn ‘theorie’ zoekt hij in de overvloed, niet in de kwaliteit van argumenten. Zijn bewijzen gaan stuk voor stuk niet op. En harde tegenbewijzen doet hij af als bedrog.

‘CLITEUR EN VON DER DUNK WILDEN IETS TE GRAAG DAT JEZUS EEN VERZINSEL WAS.’

‘Waarom krijg ik toch zoveel dwazen op mijn dak?’ klaagde onlangs een conservator van een archeologisch museum. De verklaring is niet ver te zoeken. Er zit nu eenmaal veel mythische ruimte in de antieke geschiedenis. En Jezus is natuurlijk een figuur die bij uitstek tegenspraak oproept. Een echt evenwichtige studie is Geschiedenis van het vroege Christendom van Eginhard Meijering. Hij doceerde decennialang aan de Leidse universiteit en is remonstrants dominee. Vanuit die dubbelrol geeft hij steeds nauwkeurig aan waar wetenschap eindigt en geloof begint. Daarvan kunnen de pseudowetenschap en haar aanhangers nog veel leren.

Dr. Anton J.L. van Hooff was tot 2005 universitair hoofddocent klassieke geschiedenis aan de Universiteit Nijmegen, waar hij nog in deeltijd antieke cultuurgeschiedenis doceert. Om het lerarentekort te helpen lenigen, geeft hij ook les aan het Stedelijk Gymnasium Nijmegen.

album_large_884960

REAKTIE FULVIUS DE BOER: ‘Well, well…

ENGLISH VERSION

Zie verder:

JAN VAN FRIESLAND CONTRA ANTON VAN HOOFF

PAUL CLITEUR CONTRA ANTON VAN HOOFF

THOMAS VON DER DUNK CONTRA ANTON VAN HOOFF

THOMAS VON DER DUNK CONTRA ANTON VAN HOOFF

TOMMIE HENDRIKS OVER RECEPTIE CAROTTA

INGEZONDEN BRIEF ACADEMISCHE BOEKENGIDS

Gepost door: dejister | 24 december 2014

FRANCESCO CAROTTA CONTRA ANTON VAN HOOFF

images-3

25b8454

A. van Hooff

Historisch Nieuwsblad

  ‘Wim Kok is ook een timmermanszoon.’

Nederlands (NL), boven & Duits (D), unten

vrijdag 5 juli 2002

LISA VAN DER VEEN . Jezus Christus en Julius Caesar waren in feite dezelfde persoon. Dat is wat de Italiaans-Duitse filosoof en linguïst Francesco Carotta betoogt in zijn boek, War Jezus Caesar? In Nederland is hierover een discussie ontstaan tussen de cultuurhistoricus Thomas von der Dunk en classicus Anton van Hooff. De discussie begon door Von der Dunks recensie van het boek in Vrij Nederland van 6 april, waarin hij schreef dat de theorie van Carotta’s boek nader onderzoek verdiende. Van Hooff: ‘Carotta is een fantast. Het verbaast me dat iemand als Thomas von der Dunk deze studie zo serieus neemt.’ Von der Dunk denkt er anders over: ‘Ik geloof Carotta niet direct, maar het is een gewaagde theorie die niet perse onjuist hoeft te zijn. Carotta doet niets meer dan een vergelijkend warenonderzoek en het is de taak van de wetenschap om zijn theorie te onderzoeken.’ 

Volgens Carotta komen de personages en de locaties uit de levens van Caesar en Jezus met elkaar overeen en vertoont de levensloop van Jezus opmerkelijke gelijkenis met die van Caesar. De Jezus-cultus was in feite een cultus van Caesar, die in de loop der eeuwen sterk is vervormd door verschrijvingen bij het kopiëren en vertaalfouten in teksten, en verandering in beeldvorming. ‘Het verleden zit vol met geschiedvervalsingen, bewuste en onbewuste. Dat is in dit geval ook niet ondenkbaar,’ aldus Von der Dunk. Zo zijn Jezus’ woorden ‘ik ging, waste en zag’ volgens Carotta eigenlijk een verbastering van Caesars woorden ‘ik kwam, zag, overwon’. En of Jezus wel aan het kruis is gestorven is te betwijfelen. Vlak ervoor stak ene Longinus Jezus met een lans in de borst. Caesar kwam om het leven door een dolksteek van Cassius Longinus. Toeval? ‘Dat kan,’ aldus Von den Dunk, ‘maar als er zoveel overeenkomsten tussen Jezus en Caesar zijn, in hoeveel toeval geloof je dan?’
‘Als je zulk soort vergelijkende argumenten aanvoert, zouden heel veel mensen Jezus kunnen zijn,’ weerlegt Van Hooff, ‘Wim Kok is ook een timmermanszoon.’ De classicus kan Carotta’s theorie nog verder ontkrachten: ‘Er is een objectieve en neutrale getuigenis van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus, waarin hij schrijft dat Jezus wel degelijk bestaan heeft.’

REAKTIE FRANCESCO CAROTTA:

Historisch Nieuwsblad – Nummer 7 · september 2002 · Brieven · p.62

Geen timmermanszoon

Als auteur van ‘War Jesus Caesar?’ en daarmee verre van de laatste spreker in de discussie die in Nederland is ontstaan tussen cultuurhistoricus Thomas von der Dunk en oudheidkundige Anton van Hooff, wil ik bedanken voor de zakelijke – en ondanks de beknoptheid grondige – uiteenzetting van de redenen om in de geschiedenis van Jezus een aangepaste versie van die van Divus Julius, de vergoddelijkte Caesar, te zien. Ondanks de ongelukkige kop van het artikel ben ik zeer tevreden met het weloverwogen bericht en ik zou deze brief niet schrijven, als de zelfbenoemde criticus Van Hooff argumenten zou aanvoeren in plaats van beledigingen. Blijkbaar kan hij alleen ad hominem zeggen: ‘Carotta is een fantast.’ Hij bewijst dat niet.
Wat zegt hij? Als je levenslopen vergelijkt, vind je altijd parallellen. Zo is Wim Kok bijvoorbeeld ook een timmermanszoon. Tja. Dat is eigenlijk een argument vóór, want omdat er overal timmerlui zijn, was het makkelijk er ook een in Galilea te plaatsen. Wie zou dat bestrijden? Alleen bestaat de overeenkomst tussen Caesar en Jezus daar helemaal niet uit, want Caesar was zoals bekend geen timmerman. Hij was pontifex, en wel de pontifex maximus. Nu is het zo dat ‘pontifex’ letterlijk genomen ‘bruggenbouwer’ (ponti-fex) betekent, wat overeenkomt met het Griekse ‘teknôn’, bouwmeester, wat onze bijbelvertalers weergeven als ‘timmerman’. Als Van Hooff dat boek geopend en gelezen had, in plaats van te fantaseren over het geslotene, dan waren zulke polemische pijnlijkheden er bij hem niet ingeslopen.
Vervolgens zegt de ‘classicus’ autoritair: ‘Er is een objectieve en neutrale getuigenis van de Romeinse geschiedschrijver Tacitus, waarin hij schrijft dat Jezus wel degelijk heeft bestaan.’ Hij doelt blijkbaar op de even beroemde als omstreden passage in de annalen van Tacitus 15.44: ‘Deze naam is afgeleid van Christus die onder de regering van Tiberius door de procurator Pontius Pilatus werd terechtgesteld’:

[auctor nominis eius Christus Tiberio imperitante per procuratorem Pontium Pilatum supplicio adfectus erat; …]

Zoals men ziet is in deze passage geen sprake van ‘Jezus’ maar van ‘Christus’. Dat kan voor een leek hetzelfde zijn, maar niet voor een ‘classicus’. Vooral omdat de zin een kanttekening bevat, herkenbaar aan het begin: ‘Deze naam is afgeleid.’ Welke naam wordt daar verklaard? We kijken naar de voorafgaande zin: ‘Ondanks hulp van de staat, ondanks vrijgevige giften van de keizer en zoenoffers aan de goden kon het onaangename verhaal dat de brand op bevel was gesticht, niet uit de wereld worden geholpen. En daarom, om dit gerucht te doven, gaf Nero de schuldigen prijs en vaardigde de meest uitgelezen straffen uit over hen die – door hun schandalige daden gehaat – chrestiani genoemd werden door het volk’:

«sed non ope humana, non largitionibus principis aut deum placamentis decedebat infamia quin iussum incendium crederetur. ergo abolendo rumori Nero subdidit reos et quaesitissimis poenis adfecit quos per flagitia invisos vulgus chrestianos appellabat.»

Het valt op dat deze naam, die van ‘Christus’ afgeleid zou zijn, helemaal niet als ‘christiani’, maar als ‘chrestiani’ geschreven werd, met een ‘e’ en niet met een ‘i’. Dat is zeker, want deze passage van Tacitus is zeer vroeg door kerkvaders geciteerd, namelijk door Lactantius en Tertullianus, die allebei ‘chrestiani’ hebben gelezen (Lact. IV 7; Tertull. Apol. 3 extr.).
Dus is ‘chrestiani’ pas later in het handschrift gecorrigeerd tot ‘christiani’, waaraan Christus kon worden gekoppeld. Daarom moeten we de kanttekening als een latere toevoeging zien, want het is onmogelijk ‘chrestiani’ met een ‘e’ af te leiden van ‘Christus’ met een ‘i’.
Het woord ‘chrestiani’ is namelijk afkomstig uit het Grieks en afgeleid van ‘chrêstai’, en betekent simpelweg ‘woekeraars, speculanten’ (daarvan getuigt nu nog de in Rome gebruikte uitdrukking ‘far la cresta’, omgangstaal voor ‘onbetamelijk ergens munt uitslaan, woekeren, profiteren’). Daarmee werden de opdrachtgevers voor de brand goed beschreven, de bouwspeculanten die profiteerden van de brand en de nieuwbouw, bepaald geen christenen. Dan is hun karakterisering ook begrijpelijk, namelijk dat zij ‘door hun schandalige daden gehaat werden door het volk.’
In overeenstemming hiermee noemen kritische uitgaven van Tacitus de betreffende passage een tussenvoegsel of merken ze minstens op dat hij omstreden is. Er is er maar een die hem onkritisch voor waar aanneemt en die onkritische uitgaven van Tacitus gebruikt: de ‘classicus’ Van Hooff. Vraagt u zich nu eens af waarom een schrandere man als hij zich onkritisch op een enkel handschrift verlaat (alle handschriften van Tacitus stammen zoals bekend van een enkel overgebleven handschrift af) en oudere citaten uit hetzelfde handschrift, met name die van kerkvaders, niet in aanmerking neemt. Of waren Lactantius en Tertullianus ook fantasten?

Francesco Carotta, Duitsland

Brieven Historisch Nieuwsblad Oktober 2002

Carotta

Een ‘fantast’ heb Francesco Carotta genoemd, een kwalificatie die hij als een belediging heeft opgevat (Brieven, Historisch Nieuwsblad 2002/7). Ik schrik ook niet terug voor de kwalificatie charlatan. Voor de lezers die niet onmiddellijk paraat hebben wat er aan de hand is: Francesco Carotta beweert dat Jezus nooit bestaan heeft. Het is slechts de naam die religieuze bedriegers aan Gaius Iulius Caesar hebben gegeven. Het Nieuwe Testament is het product van de massieve misleiding. Nu is er jammer genoeg voor Carotta een getuigenis van een neutrale buitenstaander, de geschiedschrijver Tacitus. Hij legt aan zijn lezers in zijn Annales 15,44 uit wie die christenen waren die Nero aanwijst als zondebokken voor de brand van Rome. In de recente vertaling van Marinus Wes luidt de passage: ‘Het ging om een groep mensen die vanwege hun misdadige gedrag algemeen gehaat werden en die in de volksmond Chrestianen werden genoemd. De naam is afgeleid van de Christus die tijdens het bewind van Tiberius door toedoen van procurator Pontius Pilatus was terechtgesteld.’
Wes kiest voor de lezing chrestiani, andere handschriften hebben christiani. De verwijzing naar ‘de Christus’ laat geen ruimte voor misverstand: hier zijn Diens aanhangers bedoeld. Zo hebben lezers in de oudheid de passage ook altijd verstaan. Dat er ‘chrestiani’ stond en niet ‘christiani’ was voor hen geen probleem. De klanken lagen dicht bij elkaar, zeker in het Grieks, waar de letter èta al vroeg een i-klank werd.
Het gaat hier om het zogeheten iotacisme, waarop Carotta zich in een andere context gretig beroept Als Jezus in het Nieuwe Testament ergens zegt ‘ik waste’ (enipsa) moet dat worden begrepen als een kwalijke verbastering van Caesars ‘ik overwon’, in de beroemde trits ‘ik kwam, zag, overwon’. De Griekse vorm enikèsa (ik overwon) zou op smerige wijze zijn veranderd in dit enipsa. Tja, er moet dan ook nog een kappa in een psi zijn omgezet, maar ja, die monniken in de Middeleeuwen waren ook zo slordig, hè? De klankovereenkomst was de christenen trouwens niet onwelkom: christos (de gezalfde, Grieks voor het Hebreeuwse Messias) klonk vrijwel als chrestos, wat nuttig, goed betekent. Carotta probeert van het hinderlijk getuigenis van Tacitus af te komen door chrestiani te laten komen van het Griekse chrestai, woekeraars. Maar waarom staat dat woord er niet dan, beste Jezus-ontkenner? Weer die slordige monniken zeker? En waarom zouden woekeraars ‘in de volksmond’ een Griekse scheldnaam hebben?
De uitleg van Tacitus, die niet in Carotta’s kraam te pas komt, moeten we schrappen als een invoeging van christelijke bedriegers: ‘De naam is afgeleid van de Christus die tijdens het bewind van Tiberius door toedoen van procurator Pontius Pilatus was terechtgesteld.’ Moderne edities van de Latijnse tekst door allesbehalve christelijke latinisten doen dat niet en ook Marinus Wes twijfelt niet aan de authenticiteit, maar de charlatan weet het altijd beter.
Anton van Hooff, Nijmegen

Repliek Francesco Carotta

Historisch Nieuwsblad – Nummer 9 · november 2002 · Brieven · p.62

Was Jezus Caesar

Aan het einde van zijn Latijn gekomen, weet Anton van Hooff in de rubriek ‘Brieven’ (Historisch Nieuwsblad 2002/8), de academische gebruiken en alle hoffelijkheid verlatend, de auteur van Was Jezus Caesar? alleen nog persoonlijk te beledigen.
Inmiddels is net echter duidelijk geworden dat hij het genoemde boek nog nooit in handen heeft gehad. Toch rechtvaardigt hij zijn gebruikelijke beschimpingen als werkzaam retorisch middel om christenen ervan af te houden dit gevaarlijke boek te lezen.
Men kan zich afvragen waar de felheid vandaan komt anderen te willen weerhouden een boek te lezen dat men zelf niet gelezen heeft. Maar voor Van Hooff is het duidelijk. Dit boek is gevaarlijk omdat het zou beweren dat Jezus nooit geleefd heeft. Hij weet precies wat er in staat, want hij heeft fotokopieën gekregen van een paar bladzijden en op de website van de auteur gekeken.
Toch valt het direct op dat daar het tegengestelde staat. Daar wordt namelijk gezegd: Jezus heeft bestaan en bestaat nog steeds. Hij is Divus Julius, de vergoddelijkte Caesar, zoals de geschiedenis hem heeft doorgegeven en zoals hij in de overlevering is veranderd. Dat is niet hetzelfde.
Van Hooffs gedrag heeft opvallende overeenkomsten met dat van de prelaten die weigerden in Galilei’s telescoop te kijken. Toen wilden de ‘recht-gelovigen’ (‘rechtzinnigen’) dat de zon om de aarde draaide, en de aarde niet om zijn eigen as. Nu willen hun opvolgers liever dat Jezus niet bestaat in Jeruzalem, dan dat hij wel bestaat in Rome. Blijkbaar zijn er wetenschappelijke resultaten die voor menigeen niet mogen bestaan.
We hebben hier nu niet genoeg plaats om daar gedetailleerd op in te gaan.(*) Maar de lezer kan zelf een beeld vormen over dit zogenaamd zo gevaarlijke boek, want het verschijnt binnenkort, in november, in een Nederlandse vertaling bij uitgeverij Aspekt onder de Titel Was Jezus Caesar?, vertaald door A.P.J. Hendriks. Een gedetailleerd antwoord op Van Hooffs beschuldigingen kan men lezen op de website van de auteur: http://www.carotta.de, pagina ‘echo’.(**) Op 28 november vindt een voordracht met aansluitend discussie plaats in de Lutherse kerk in Utrecht, informatie op http://www.TUMULTdebat.nl.

Francesco Carotta, Duitsland

[ cf. the TUMULTdebat in the Lutherse kerk in Utrecht on november 28 ]

(*) De redactie van het Historisch Nieuwsblad, die klaarblijkelijk genoeg over het zogenaamde getuigenis van Tacitus heeft gehoord, heeft 350 woorden ter beschikking gesteld.

(**) Hier een gedetailleerd antwoord op Van Hooffs brief in HN van oktober 2002

Van Hooff geeft dus toe dat in zijn geliefde Tacitus – kennelijk zijn laatste strohalm, waaraan hij zich vastklampt als een drenkeling – geen sprake is van Jezus maar alleen van Christos. In feite zou hij moeten zeggen dat er slechts sprake is van chrestos, zoals bij Suetonius (Claud. 25.4: Iudaeos impulsore chresto assidue tumultuantis Roma expulit), want wanneer zelfs zijn zegsman, de Tacitus-vertaler Marinus Wes, daar nu ‘chrestiani’ en niet ‘Christiani’ leest, zou de daaropvolgende tekst moeten luiden: ‘Dit woord – scilicet “chrestiani” – is afgeleid van chrestos, etc.’ Dat zou hout snijden en getuigen van intellectuele consequentheid. Maar nee, dat mag niet bestaan, hier zal men Christiani moeten lezen, opdat daarna Christus binnengesmokkeld wordt. Daarvoor is Van Hooff bereid het restant van zijn reputatie op het spel te zetten en produceert hij in een achterhoedegevecht de een na de andere ‘slordigheid’…

Allereerst zegt hij het volgende – van een ‘classicus’ is dat een echte parel en dat moet men goûteren: ‘Wes kiest voor de lezing chrestiani, andere handschriften hebben christiani.’ Alsof de vertaling van Wes een handschrift zou zijn, en/of alsof er van Tacitus’ Annalen meer dan een handschrift zou bestaan. Omdat hij de klassieken toch al niet in het origineel, maar alleen in de vertaling van zijn vrienden leest, speelt het ook geen rol. Zou hij de moeite genomen hebben om Latijnse uitgaven van Tacitus erbij te halen, dan zou hij iets anders hebben kunnen lezen. Reeds in 1915, en dat al in de elfde druk (!), schreven K. Nipperday en G. Andresen in hun uitgave van de Annalen van Tacitus, blz. 264, noot 4:

‘Die Namensform Christianos wurde in der Handschrift erst durch Korrektur geschaffen; vorher hatte sie chrestianos. Daß diese […] Form im Gebrauch gewesen ist, bezeugen u.a. Lactanz IV 7 und Tertullian Apol. 3 extr.’ (‘De vorm Christianos is het resultaat van een correctie. Voordien had het handschrift de vorm chrestianos. Het bewijs hiervoor vindt men onder meer bij Lactantius IV 7 en Tertullianus Apol. 3 extr.’)

Er waren dus vroeger andere handschriften, die door Lactantius en Tertullianus werden gelezen, waarin uitsluitend chrestianos voorkwam. Christianos staat slechts in dat ene bewaard gebleven handschrift dat gemanipuleerd werd. En dat heeft de heer Wes correct weergegeven (overigens zonder de noodzakelijke consequenties voor de daaraan vastgeknoopte zin met Christus te trekken). Daarom kan de zin met Christus, waarvan zogenaamd chrestiani zijn afgeleid, en met Pilatus en Tiberius, niet echt zijn. Au contraire, het is een niet mis te verstane interpolatie. Wanneer de een of ander vandaag de dag de passage als echt af laat drukken, dan is dat tendentieus. In ieder geval verandert een uitgave die deze passage als echt aanmerkt niets aan het feit dat meeste onderzoekers haar als onecht beschouwen, zodat zij over het geheel genomen dubieus blijft. De uitgaven van Tacitus die de heer Van Hooff gebruikt zijn in ieder geval van gisteren, ook wanneer zij net gedrukt werden.

Daar echter niemand graag erkent dat hij te laat is met zijn recycling en updates, noemt hij degenen die hem bij de les willen houden charlatans, ook wanneer zij Lactantius en Tertullianus heten. Inderdaad, charlatans weten het altijd beter. Maar niet ieder die het beter weet is een charlatan. Een van de eerste regels van het syllogisme, die de heer Van Hoof eigenlijk behoort te kennen. Wanneer bij hem de zwanenhals onder de gootsteen verstopt is en iemand langskomt die van wanten weet, dan is die persoon nou niet per se een betweter of een charlatan. Misschien is hij gewoon maar een ambachtsman, die door zijn vrouw gebeld is, die in haar man geen vertrouwen had, althans niet als loodgieter. Dat is ook hier aan de orde: geen polemiek, maar handwerk. Hoewel de heer Van Hooff, klaarblijkelijk aan het einde van zijn Latijn, kader en niveau van een beschaafde en gedegen academische discussie verlaat en alleen nog maar weet te beledigen, zouden wij graag proberen aan gene zijde van de polemiek een zakelijke bijdrage te leveren.

Op de eerste plaats is er in zijn waarneming een kapitale en betreurenswaardige fout geslopen, die waarschijnlijk terug te voeren is op het feit dat hij het boek, waarover hij aanhoudend zit te piekeren, nog steeds niet gelezen heeft: hij beweert dat wij zeggen dat Jezus niet bestaan heeft. Het tegendeel is het geval. Dat de iconografische Jezus, de blootsvoets rondtrekkende profeet uit Galilea, geen historische existentie bezit, en dat de klassieke historiografie hem niet heeft gekend, zeggen niet wij, maar wordt van de daken geschreeuwd: de ellenlange lijst van onderzoekers die concluderen dat Jezus nooit bestaan heeft, is na te lezen bij Albert Schweitzer in zijn Geschichte der Leben-Jesu-Forschung [cf. Was Jezus Caesar? note 266 / cf. ook de radicale website van Hermann Detering ]. Wij daarentegen zeggen: Jezus heeft bestaan en hij existeert voort: hij is Divus Iulius, de vergoddelijkte Caesar, zoals de geschiedenis hem tot in onze tijd toe heeft overgeleverd en zoals hij in de loop der tijd in de verhalen is veranderd. Dat is niet hetzelfde.

En nu naar het handwerk:

Van Hooff heeft, zoals we zagen, moeten toegeven dat bij zijn geliefde Tacitus ‘chrestiani’ stond en geen ‘christiani’. Hij zou het nu graag met het itacisme willen verklaren – of met het iotacisme, zoals hij minder nauwkeurig zegt. Men is inderdaad tegen het einde van de eerste eeuw van onze jaartelling in het Grieks begonnen ‘êta’ als ‘ita’, bijgevolg als ‘iota’, uit te spreken, dus ‘ê’ als ‘i’. ‘Daarom – zo probeert hij zich eruit te redden – zou men “christiani” abusievelijk als “chrestiani” hebben kunnen schrijven.’
Het is een narrow escape. Want ten eerste zou het precies omgekeerd moeten zijn, ‘ê’ werd immers als ‘i’ uitgesproken en niet andersom; en ten tweede is er geen enkel bewijs voor een vroege schrijfwijze ‘christiani’. Integendeel, de kerkvaders lazen ‘chrestiani’ en schreven de passage met ‘chrestiani’ af.
Het argument keert zich tegen hem. Wanneer men zich namelijk op het ita- respectievelijk iotacisme beroept, dan kan men dezelfde klankverschuiving voor chrêstos > christos (‘nuttig’ of ‘de goede (gestorvene)’ respectievelijk ‘geolied’ of ‘gezalfd’) niet betwisten. Dat heeft hij ook moeten toegeven bij ‘enikêsa’, ‘ik overwon’, dat wegens het itacisme als ‘enikisa’ werd uitgesproken, en de verwisseling met ‘enipsa’, ‘ik waste mij’ inleidde, en daarmee de verandering van Caesars overwinningbericht ‘veni vidi vici’, ‘ik kwam, zag en overwon’ in de genezing van een blinde door Jezus: ‘ik kwam, ik waste mij en zag’.
Nu vraagt hij hoe het mogelijk is dat een kappa met een psi kan worden verwisseld en hij heeft het antwoord gelijk paraat: die ‘slordige’ monniken toch, die hebben in de middeleeuwen ook zulke kopieerfouten gemaakt (‘slordig’ zegt hij, niet wij, en hij moet het toch weten, want hij is zelf slordig in de omgang met zijn bronnen, zoals we zien, en, ofschoon geen monnik, geeft hij les aan een katholieke universiteit). Waarom dan ook niet de kopiisten, die in de eerste eeuwen het evangelie hebben afgeschreven? Aan wie we overigens danken dat van de tekst van de verschillende handschriften niet eens de helft van de woorden met elkaar overeenstemt. Ja, er werd veel verwisseld in het overleveringsproces. Ook de kappa ( K ) of de psi ( Y ) werd met de een of andere letter verwisseld. Om slechts één voorbeeld uit vele te geven: bij de zalving te Bethanië, daar waar staat: ‘… toen kwam een vrouw met een albasten fles vol echte en kostbare nardusolie, en zij brak de fles en goot het over Zijn hoofd.’ (Markus 14:3). Voor dit ‘en zij brak’ staat in het ene manuscript ‘suntripsasa’, in andere echter ‘kai thrausasa’, ( SUNTRIYASA / KAI QRAUSASA ), een veel grotere sprong dan bij onze ‘enikêsa’ en ‘enipsa’ ( ENIKHSA / ENIYA ).
Destijds, net als vandaag, werden kopieerfouten niet alleen geïnduceerd en gefaciliteerd door de vorm der tekens, maar gebeurde dat voornamelijk vanwege de instelling en het verwachtingspatroon bij de schrijver. Wanneer een zetter van een dagblad, zoals onlangs is gebeurd [ zie daar ], in plaats van ‘Hortensius’ ‘Horrensius’ tikt, en in plaats van ‘Scipio’ ‘Skorpio’, dan heeft hij nog grotere sprongen gemaakt, in het woord ‘Skorpio’ zelfs een ‘r’ gegenereerd, die er helemaal niet was. Maar met zijn hoofd nog bij de griezelfilm, die hij waarschijnlijk net gezien had, lieten de gaten zich opvullen. Wanneer de Australische schrijver en vertaler Gary Courtney, academicus en thuis in de materie (zie zijn website), de apostel Paulus niet in ‘Cilicië’, maar in ‘Sicilië’ laat vertoeven, dan gebeurt dat niet omdat hij het verschil tussen het landschap in Klein-Azië en het eiland in de Middellandse Zee niet zou kennen, maar vermoedelijk simpelweg vanwege het feit dat hij Siciliaanse voorouders heeft, die hem onbewust parten spelen. Zoals de experimentele psychologie ons leert, is onze waarneming geen tabula rasa, maar is zij voorgemodelleerd en voormodellerend. Daar waar de een ’n lichte vaas op een donkere achtergrond ziet, ziet een ander twee elkaar aankijkende donkere gezichten op een lichte achtergrond. Vanwege een dergelijke, soortgelijke verschuiving in de waarneming hebben waar oorspronkelijk Julius Caesar stond, later anderen, onder een andere hemel en met een andere tijdgeest, Jezus gezien. JC blijft JC, maar de een leest Julius Caesar, der andere Jezus Christus. Menselijk. Errare humanum est. En omdat de evangeliën weliswaar een goddelijke geschiedenis verhalen, maar door mensen geschreven en door mensen afgeschreven werden, zijn zij niet zonder feilen. Ook de priester vergist zich, zelfs als hij de mis zegt.

Maar terug naar ons handwerk. Men mag daarbij een simpel feit niet vergeten: Tacitus schreef Latijn, en de Latijnen, in het bijzonder voortreffelijke geleerden zoals hij, hebben de Griekse woorden ondanks het itacisme van het Grieks (en niet van het Latijn!) correct getranscribeerd volgens de overgeleverde schrijfwijze, een schrijfwijze die ook door de Europese talen is overgenomen. Op de universiteiten wordt niet toevallig nu nog het Grieks in de door Erasmus gereconstrueerde oude klassieke uitspraak gedoceerd. Dus in de uitspraak van vóór het itacisme, en de uit het Grieks afkomstige vreemde woorden in onze Europese talen hebben na bijna 2000 jaar het itacisme nog steeds niet geëffectueerd. Een voor de hand liggend voorbeeld: we schrijven net als toen nog altijd ‘chrestomathie’ met een ‘e’, hoewel de Grieken het woord allang als ‘christomathia’ uitspreken.

Van Hooff vraagt waarom er bij Tacitus in plaats van ‘chrestiani’ niet gewoon ‘chrêstai’ staat, wanneer dat ‘chrestiani’ afgeleid is van ‘chrêstai’, van ‘bouwspeculanten’ dus.
Er staat een van ‘chrêstai’ afgeleid woord, een graecisme, overigens een typisch Latijns woord: ‘chrestiani’. Een uitgang op ‘-iani’ werd onder meer gebruikt om de aanhangers van een bepaalde persoon aan te duiden, zoals bijvoorbeeld Caesariani, Pompeiani, Herodiani, etc. (waarbij ‘obsiani’ niet de aanhangers van Obsius zijn, maar beelden vervaardigd van obsidiaan). Daarnaast werd het gebruikt om stammen en volken aan te duiden, zoals bijvoorbeeld bij Caesar ‘Ambiani’, ‘Attiani’, ‘Ptiani’, etc. of bij Cicero ‘Formiani’, bij Plinius ‘Asiani’, ‘Brigiani’, ‘Cilbiani’, ‘Messeniani’, ‘Orciani’, ‘Marotiani’, ‘Xystiani’, etc, en ook bij Tacitus ‘Sardiani’, ‘Tralliani’, ‘Troiani’, etc. Maar ook diende de uitgang ‘-iani’ om meer alledaagse afleidingen te vormen, zoals bijvoorbeeld ‘cotidiani’ (dagelijkse, alledaagse), ‘meridiani’ (des middags, van de middag), ‘postmeridiani’ (des namiddags, van de namiddag), ‘pridiani’ (van gisteren), of om de leden van een bepaalde groep of organisatie aan te duiden, zoals bijvoorbeeld ‘praetoriani’ (praetorianen, de lijfwacht van de ‘praetor’: de keizerlijke lijfwacht) of ‘tertiani’ (horend bij de ‘derde’, d.w.z. zowel lijders aan de derdedaagse koorts als de soldaten van het derde legioen). In het volkslatijn – en we hebben hier, zoals Tacitus zegt, te maken met de volksmond: ‘… vulgus … appellabat …’, ‘… het volk [zo] noemde …’ – werkte zo’n gebruik van deze uitgang door, speciaal bij vreemde woorden. Zo werd onder andere uit het tot ‘guard’ geromaniseerde Germaanse ‘wart’, volgens hetzelfde model, ‘guardiani’ gevormd: wachters. Dat betekent dat het woord ‘chrestiani’ niet noodzakelijkerwijs van een persoonsnaam is afgeleid, maar dat het ook het horen bij een bepaalde groep of het hebben van een bepaald kenmerk kan weergeven. Zoiets is in ons geval zelfs waarschijnlijker, daar afleidingen van personen een eigennaam van de 2de declinatie op ‘-ius’ veronderstellen (Marius > Mariani; Pompeius > Pompeiani; Octavius > Octaviani) of een eigennaam van de 3de declinatie (Caesar, -is > Caesariani; Cicero, -onis > Ciceroniani; Herodes, -is > Herodiani), terwijl de andere eigennamen, van ‘-iani’ afwijkende uitgangen te zien geven. Bijvoorbeeld Gracchus > Gracchani, Sulla > Sullani. En ook van Catilina komt klassiek niet Catiliniani maar uitsluitend Catilinarii. Idem van Brutus > Brutini, en het daarnaar gevormde latere Petrus > Petrini, etc. Dit betekent dat het woord ‘chrestiani’ niet op natuurlijke wijze uit ‘Chrestus’, de gelatiniseerde vorm van ‘Chrestos’, is af te leiden. Het zou dus of ‘Chrestius’ moeten zijn, wat het niet is, of nou net dat bewuste ‘chrestes’, onze woekeraar dus, een bouwspeculant. Hetzelfde geldt voor ‘christiani’ en ‘Christus’: zoals van Faustus geen ‘Faustiani’ komen (maar Faustini), van festus geen ‘festiani’ (maar festivi) en van sextus geen ‘sextiani’ (maar sextarii), kan, naar de genius van de taal, Christus bezwaarlijk Christiani opgeleverd hebben. Regulier zou het eerder (afgezien van het theoretische ‘Christivi’ en ‘Christarii’) of ‘Christini’ of ‘Christani’ moeten zijn. Hetgeen betekent dat ‘christiani’ waarschijnlijk een secundaire latere vorm naar het voorbeeld van ‘chrestiani’ is, zoals het postklassieke ‘Catiliniani’ gevormd is naar het voorbeeld van ‘Caesariani’, ‘Pompeiani’, etc.

Of wil men in ernst beweren dat er in het Latijn geen graecismen zijn geweest? Tertullianus bijvoorbeeld, om er maar een te noemen, een kerkvader, die de heer Van Hooff zoals men weet niet leest, zit er vol mee. Daarenboven gebruikt Suetonius, een andere zogenaamde ‘getuige’ voor Christus, in die beroemde boven geciteerde passage heel opvallend het woord ‘chresto’: ‘impulsore chresto’ zegt hij, en niet ‘impulsore Christo’. Waarom? Volgens de Latijnse declinatie van Griekse woorden is ‘chresto’ een correcte ablativus van ‘chrestes’, woekeraar. Waarmee we weer bij hetzelfde punt zijn aanbeland. Toeval?

Vervolgens vraagt Van Hooff nog waarom woekeraars in de volksmond met een Grieks scheldwoord worden aangeduid. Tegenvraag: En waarom wordt in Rome nu nog precies dat graecisme hardnekkig gebruikt? Waarom zeggen ook de huidige inwoners van Rome ‘far la cresta’ voor speculeren, hoewel ze tientallen Italiaanse gelijkwaardige uitdrukkingen daarvoor zouden kunnen gebruiken, ‘speculare’ als eerste? Waarom gebruikt men vreemde woorden? Waarom hebben de Duitsers het over ‘Schacher’, waarmee ze een joods woord gebruiken, hoewel ze de eigen pendant ‘Wucher’ hebben? Waarom zegt men pyromaan in plaats van brandstichter? Bovenal, wanneer gebruikt men vreemde woorden? In ons geval versterkte de benaming met een vreemd woord, ‘chrestiani’, dat in Romeinse oren ongeveer klonk als ‘Schacherer’, de uitdrukking van afschuw voor een in de ogen van het volk zeer verachtelijke daad – de brand van Rome aanwakkeren in plaats van te blussen – waarvoor geen Latijns woord krachtig genoeg was: voor een on-Romeinse daad een on-Romeins woord. Daarmee was gezegd dat, zelfs als het om Romeinen ging, de brandstichters en hun opdrachtgevers niet tot het volk behoorden, maar verstoten dienden te worden.

Eén ding is in ieder geval duidelijk: wanneer de heer Van Hooff gelijk zou hebben – maar dat heeft hij niet – dan zou hij onder de dekmantel van verdediging van een naar het heet ‘christelijke’ uitleg van de passage, de christenen een bijzonder kwalijke dienst bewezen hebben. Want dan zou hij hen de brand van Rome hoe dan ook toch in de schoenen hebben geschoven. Minstens zou men dan Tacitus zo moeten begrijpen, dat ‘de christenen door het volk zo genoemd werden, omdat zij vanwege hun schandelijke handelen gehaat waren.’ Daar kan men werkelijk trots op zijn!

Inhoudelijk gaat het in ieder geval om de richting van de historische ontwikkeling. Sommige zaken zijn eerder gebeurd, andere later. Eerst kwam Tacitus en die schreef in het Latijn ‘chrestiani’, een veelzeggend graecisme voor woekeraars. Daarna kwamen de geleerde Latijnse christenen, zoals Lactantius en Tertullianus, en zij lazen, ondanks dat de genoemde taalontwikkeling, het itacisme, al was voltooid, nog steeds ‘chrêstiani’. En zij begrepen het woord drommels goed, anders zouden zij deze vermeende fout wel gecorrigeerd hebben. Pas veel later kwamen de onontwikkelde christenen, die tot op vandaag nog niet zijn uitgestorven, die geen Grieks en slecht Latijn kenden, en vonden dat ze in de stukken moesten voorkomen. Want het stoorde hun zeer dat ze nergens in de geschiedenis werden genoemd. A posteriori interpreteerden en schreven zij ‘christiani’.

Natuurlijk hoeft dit niet voor iedereen dwingend te zijn: een ieder volgt ook vandaag zijn aard, zingt zoals hij gebekt is en is deze of gene mening toegedaan. Asinus asinum fricat.

Tenslotte wijzen we er hier op dat het voor de economie van ons onderzoek niet wezenlijk is of de afleiding van chrestiani uit chrestes geaccepteerd wordt of niet. Zelfs niet of de geïncrimineerde passage van Tacitus al of niet echt is. Dit hebben we in War Jesus Caesar? ook duidelijk aangegeven: zie blz. 142-145 (In de Nederlandse editie Was Jezus Caesar?, zie blz. 138-141). Wat objectief is vast te stellen, is het volgende:
a) In de gehele klassieke historiografie ontbreekt elk getuigenis van Jezus. Als er al een getuigenis is, dan betreft die uitsluitend Christus en dan alleen als auctor van het christendom.
b) Griekse getuigenissen van Christus ontbreken geheel, terwijl Latijnse pas uit de tweede eeuw stammen.
c) Tacitus spreekt onloochenbaar van chrestiani, van christiani alleen als men een gekleurde bril op heeft.
d) Tacitus’ chrestianos heeft vermoedelijk te maken met Suetonius’ chresto. Of dit laatste op een zekere Chrestos teruggaat is speculatief. Nog speculatiever is het dat het hier om een verschrijving van Christus zou gaan. (voor beide ligt, gezien de context, een afleiding uit chrestes, woekeraars, voor de hand).
e) Christus komt alleen voor bij Tacitus, uitsluitend in het enige van hem bewaard gebleven handschrift en dan nog in een dubieuze glosse. Het woord komt niet voor in eerdere aanhalingen uit datzelfde handschrift.
Dat is de stand van zaken waarover consensus bestaat. Overal na te lezen, onder andere in Die Realencyclopädie der Altertumswissenschaft, ook in Der Kleine Pauly. Hoe schamel de contemporaine bronnen over Jezus Christus zijn, kan men op het Internet vinden, op talloze plaatsen, bijvoorbeeld op de site van The Foundations of Christianity waar ze allemaal worden opgesomd: contemporary records of the Roman and Greek world. Zie in dit verband ook de bijdrage ‘Das Schweigen der Lämmer’ van A. KLÖS in het Forum Divi Iulii [ hier klicken ].
Wanneer iemand buiten die gegevens nog dit of dat wil geloven, staat hem dat vrij. Het verandert niets aan de consensus.

_____________

(Und auf Deutsch:)

Van Hooff gibt also zu, daß in seinem geliebten Tacitus – anscheinend seinem letzten Rettungsanker, an den er sich krallt wie der Ertrinkende an den letzten Grashalm – keine Rede von Jesus ist, sondern nur von Christos. Eigentlich nur von ‘chrestos’ wie bei Sueton (Claud. 25.4: Iudaeos impulsore chresto assidue tumultuantis Roma expulit), müßte er ehrlicherweise sagen, denn wenn sogar sein Gewährsmann, der Tacitus-Übersetzer Marinus Wes, jetzt dort ‘chrestiani’ und nicht ‘Christiani’ liest, müßte es dann konsequenterweise weiter heißen: ‘Dieser Name – scilicet “chrestiani” – leitet sich von chrestos ab, etc.’. Das würde Sinn machen, und zeugen für intellektuelle Konsequenz. Aber nein, es darf nicht sein, es müssen hier Christiani hineingelesen werden, damit folglich Christus hineingeschmuggelt wird. Dafür ist van Hooff bereit den Rest seines Rufes auf’s Spiel zu setzen, und liefert als Rückzugsgefecht eine ‘Schludderigkeit’ nach der anderen nach.

Zuerst sagt er folgendes, und das muß man goutieren, von einem ‘classicus’ eine echte Perle: ‘Wes kiest voor de lezing chrestiani, andere handschriften hebben christiani – Wes zieht die Lesart chrestiani vor, andere Handschriften haben christiani.’ Als ob die Übersetzung von Wes eine Handschrift wäre, und/oder als ob es von Tacitus’ Annalen mehr als eine Handschrift gäbe. Da er sowieso die Klassiker nicht im Original, sondern nur in der Übersetzung seiner Freunde liest, spielt es auch keine Rolle. Würde er die lateinischen Ausgaben des Tacitus wenigstens zur Hilfe holen, hätte er etwas anderes lesen können. Bereits 1915, und das schon in der 11. Auflage (!), schrieben K. Nipperday und G. Andresen in ihrer Edition der Annalen von Tacitus, S. 264, Anm. 4:
«Die Namensform Christianos wurde in der Handschrift erst durch Korrektur geschaffen; vorher hatte sie chrestianos. Daß diese […] Form im Gebrauch gewesen ist, bezeugen u.a. Lactanz IV 7 und Tertullian Apol. 3 extr.»
Also, es gab früher andere Handschriften, und Laktanz und Tertullian lasen sie, in denen es allesamt chrestianos stand. Christianos steht nur in jener einzigen erhaltenen, die manipuliert wurde. Und das hat Freund Wes auch korrekt wiedergegeben, ohne allerdings für den eindeutig angehängten Satz die nötigen Konsequenzen zu ziehen. Die angehängte Stelle mit Christus, der sich angeblich von chrestiani ableitet, und Pilatus und Tiberius, kann daher nämlich nicht echt sein, sondern ist eine eindeutige Interpolation. Wenn irgendjemand heute sie als echt ausgibt, dann ist das tendentiös. Jedenfalls, eine Ausgabe, die jene Stelle als echt bezeichnet, ändert nichts an der Tatsache, daß die meisten Forscher sie als unecht ansehen, so daß sie insgesamt dubios bleibt. Die Editionen von Tacitus, die Herr van Hooff benutzt, sind jedenfalls von gestern, auch dann wenn sie gerade gedruckt wurden.
Weil aber keiner sich gerne als recyclingsüberfällig ansieht, nennt er jene Scharlatane, die ihn eines Besseren belehren, und wenn diese Laktanz und Tertullian sind. Ja, Scharlatane wissen es immer besser, nur nicht jeder, der es besser weiß, ist ein Scharlatan: Eine der ersten Regel des Syllogismus, die Herr van Hooff eigentlich kennen sollte. Wenn bei ihm ein Abflußrohr verstopft ist, und jemand kommt, und weiß wie es geht, ist der nicht unbedingt ein Besserwisser oder ein Scharlatan, sondern vielleicht einfach nur ein Handwerker. Und den hat möglicherweise seine Frau geholt, die an ihrem Mann zweifelt, zumindest als Klempner. Darum geht es auch hier: nicht um Polemik, sondern um Handwerk. Obwohl also Herr Anton van Hooff, offensichtlich am Ende seines Lateins angelangt, den Boden der gepflegten akademischen Diskussion verläßt und nur weiter zu beleidigen weiß, möchten wir versuchen jenseits der Polemik einen sachlichen Beitrag zu leisten.

Zuerst unterläuft ihm ein kapitaler und bedauerlicher Wahrnehmungsfehler, der wahrscheinlich auf die Tatsache zurückgeht, daß er das Buch, worüber er beharrlich sinniert, immer noch nicht gelesen hat: Er behauptet, wir würden sagen, Jesus habe nicht existiert. Das Gegenteil ist der Fall. Daß der ikonographische Jesus, der Barfußprophet aus Galilea, keine historische Existenz aufweist, und daß die antike Historiographie ihn nicht kannte, sagen nicht wir, sondern singen die Spatzen von den Dächern: Die lange Liste der Forscher, die auf Nicht-Existenz schließen, kann man bei Albert Schweitzer, Geschichte der Leben-Jesu-Forschung, nachlesen [cf. War Jesus Caesar? Anm. 266 / cf. auch die radikale Website von Hermann Detering ]. Wir sagen dagegen: Jesus hat existiert und existiert weiter: Er ist Divus Julius, der vergöttlichte Caesar, wie die Geschichte ihn bis zu uns tradiert hat, und wie er in der Erzählung mutiert ist. Das ist nicht dasselbe.

Und nun zum Handwerk:

Van Hooff hat, wie wir sahen, zugeben müssen, daß bei seinem beliebten Tacitus ‘chrestiani’ und nicht ‘christiani’ stand. Er möchte es jetzt mit dem Itazismus erklären – oder Jotazismus, wie er ungenauer sagt. Man hat in der Tat im Griechischen gegen Ende des ersten Jahrhunderts unserer Zeitrechnung angefangen, ‘êta’ als ‘ita’, folglich wie ‘iota’, auszusprechen, also ‘ê’ wie ‘i’. ‘Daher – versucht er sich jetzt zu retten – habe man in der Tacitus-Handschrift “christiani” irrigerweise “chrestiani” geschrieben.’
Es ist a narrow escape. Denn, erstens, genau umgekehrt müßte es sein, ‘ê’ wurde ja wie ‘i’ ausgesprochen, und nicht umgekehrt; und zweitens gibt es keine Belege für eine frühere Schreibweise ‘christiani’, im Gegenteil, die Kirchenväter lasen ‘chrestiani’ und schrieben die Stelle mit ‘chrestiani’ ab.
Das Argument wendet sich gegen ihn. Wenn man sich nämlich auf den Ita- bzw. Jotazismus für ‘chrêstiani’ > ‘christiani’ beruft, kann man doch dieselbe Lautverschiebung nicht für chrêstos > christos (‘nützlich’oder ‘der gute (verstorbene)’ bzw. ‘geölt’ oder ‘gesalbt’) abstreiten. Das hat er auch bei ‘enikêsa’, ‘ich siegte’ zugeben müssen, das wegen des Itazismus ‘enikisa’ ausgesprochen wurde, und die Verwechselung mit ‘enipsa’, ‘ich wusch mich’ einleitete, und damit die Umwandlung von Caesars Siegesbericht ‘veni vidi vici’, ‘ich kam, sah und siegte’ in Jesu Blindenheilung ‘ich kam, ich wusch mich und sah’.
Nun fragt er, wie es denn möglich sei, daß ein Kappa mit einem Psi verwechselt werden kann, und hat gleich die Antwort parat: Die ‘schluddrigen Mönche’ im Mittelalter haben auch solche Kopierfehler gemacht (‘schludderig’ sagt er, nicht wir, und er muß es ja wissen, denn er ist selbst schludderig im Umgang mit seinen Quellen, wie wir sehen, und wenn nicht Mönch, so lehrt er doch an einer Katholischen Universität). Warum denn nicht auch die Kopisten, die das Evangelium in den ersten Jahrhunderten abgeschrieben haben? Denen wir übrigens verdanken, daß der Text der verschiedenen Handschriften nicht einmal in der Hälfte der Wörter miteinander übereinstimmt. Ja, es wurde viel verwechselt im Tradierungsprozeß, auch Kappa ( K ) oder Psi ( Y ) wurde mit dem einen oder dem anderen Buchstaben verwechselt. Um nur ein Beispiel unter vielen zu geben: Bei der Salbung in Bethanien, da wo es steht: ‘… da kam eine Frau, die hatte ein Glas mit unverfälschtem und köstlichem Nardenöl, und sie zerbrach das Glas und goß es auf sein Haupt.’ (Mk. 14:3). Für dieses ‘und sie zerbrach’ steht in dem einen Manuskript ‘suntripsasa’, in anderen aber ‘kai thrausasa’, ( SUNTRIYASA / KAI QRAUSASA ), ein viel größerer Sprung als bei unserem ‘enikêsa’ und ‘enipsa’ ( ENIKHSA / ENIYA ).
Die Kopierfehler damals wie heute erfolgen nämlich nicht nur wegen der Form, sondern hauptsächlich wegen der Erwartungshaltung. Wenn eine Setzerin einer Tageszeitung, wie neulich geschehen [s. da], für ‘Hortensius’ ‘Horrensius’ schreibt, und für ‘Scipio’ ‘Skorpio’, dann hat sie noch größere Sprünge gemacht, im Wort ‘Skorpio’ sogar einen ‘r’ generiert, der nicht da war, aber mit dem Horrorfilm im Kopf, den sie wahrscheinlich gerade gesehen hatte, liessen sich die Lücken überbrücken. Wenn der australische Buchautor und Übersetzer Gary Courtney, ein gebildeter Mensch und in der Materie zu Hause (cf. seine Website), den Apostel Paulus nicht in ‘Zilizien’ sondern in ‘Sizilien’ weilen läßt, dann nicht etwa weil er den Unterschied zwischen der Landschaft in Kleinasien und der Insel im Mittelmeer nicht kennen würde, sondern vermutlich einfach deswegen, weil er mütterlicherseits sizilianische Vorfahren hat, die sich unbewußt einschleichen. Wie uns die experimentelle Psychologie lehrt, ist unsere Wahrnehmung keine Tabula rasa, sondern vorgeprägt und vorprägend. Da wo der eine eine helle Vase auf dunklem Hintergrund sieht, sieht der andere zwei dunkle aufeinanderschauende Gesichter auf hellem Hintergrund. Wegen derselben Wahrnehmungsverschiebung, wo ursprünglich Divus Julius stand haben andere später, unter einem anderen Himmel und mit einem anderen Zeitgeist, Jesus gesehen. JC bleibt JC, aber der eine liest Julius Caesar, der andere Jesus Christus. Menschlich. Errare humanum est. Und da die Evangelien zwar eine göttliche Geschichte erzählen, aber von Menschen geschrieben und von Menschen abgeschrieben wurden, sind sie nicht fehlerfrei. Auch der Priester irrt, selbst wenn er die Messe sagt.

Aber zurück zu unserem Handwerk. Man darf dabei eine einfache Tatsache nicht vergessen: Tacitus schrieb Latein, und die Lateiner, vor allem vorzügliche Gelehrte wie er einer war, haben weiterhin die griechischen Wörter trotz Itazismus des Griechischen (nicht des Lateinischen!) nach der tradierten Schreibweise korrekt transkribiert, welche die europäischen Sprachen auch übernommen haben. In den Universitäten wird heute noch nicht zufällig Griechisch in der von Erasmus rekonstruierten alten klassischen Aussprache gelehrt, also jene von vor dem Itazismus, und die griechischen Fremdwörter in unseren europäischen Sprachen haben nach bald 2000 Jahren den Itazismus immer noch nicht vollzogen. Ein naheliegendes Beispiel: Wir schreiben nach wie vor ‘Chrestomathie’ mit ‘e’, obwohl die Griechen längst ‘christomathia’ aussprechen.

Er fragt, warum, wenn bei Tacitus ‘chrestiani’ sich von ‘chrêstai’ ableitet, also von ‘Bauspekulanten’, dann statt ‘chrestiani’ nicht ‘chrêstai’ steht, ?
Es steht die Ableitung davon, ein Gräzismus, kein griechisches Wort, ein typisch lateinisches Wort übrigens: ‘chrestiani’. Eine Endung ‘-iani’, die nicht nur an Eigennamen sich anschließt, um die jeweiligen Anhänger einer Person zu bezeichen, wie etwa ‘Caesariani’, ‘Pompeiani’, ‘Herodiani’, etc. (wobei ‘obsiani’ nicht die Anhänger des Obsius sind, sondern Statuen aus Obsidian), oder an Völkerschaften, wie etwa bei Caesar ‘Ambiani’, ‘Attiani’,‘Ptiani’, etc. bzw. bei Cicero ‘Formiani’, bei Plinius ‘Asiani’, ‘Brigiani’, ‘Cilbiani’, ‘Messeniani’, ‘Orciani’, ‘Marotiani’, ‘Xystiani’, etc., und auch bei Tacitus ‘Sardiani’, ‘Tralliani’, ‘Troiani’, etc. Dieselbe Endung ‘-iani’ diente auch dazu alltäglichere Ableitugnen zu bilden, wie etwa ‘cotidiani’ (alltägliche), ‘meridiani’ (mittägliche), ‘postmeridiani’ (nachmittägliche), ‘pridiani’ (vortägliche), oder die Angehörigen einer bestimmten Gruppe bzw. Verband zu bezeichnen, wie etwa ‘praetoriani’ (Prätorianer, die Leibgarde des ‘praetors’: die kaiserliche Leibgarde) oder ‘tertiani ’ (zum ‘Dritten’ gehörig, d.h. sowohl die am Dreitagefieber Erkrankten, wie auch die Soldaten der 3. Legion). Im Vulgärlatein – und wir haben hier mit Volksmund zu tun, wie Tacitus sagt: ‘… vulgus … appellabat – das Volk [so] nannte … – wirkte dann dieselbe Endung weiter, speziell auf Fremdwörter angewendet, so wurde zum Beispiel aus dem germanischen ‘wart’, in ‘guard’ romanisiert, nach demselben Muster ‘guardiani’: Wärter. Das heißt, das Wort ‘chrestiani’ muß sich nicht vom Namen einer Person ableiten, sondern kann auch eine andere Zugehörigkeit bezeichnen. Diese ist in unserem Fall insofern wahrscheinlicher, als die Ableitungen von Personen einen Eigennamen der 2. Deklination in ‘-ius’ voraussetzen (Marius > Mariani; Pompeius > Pompeiani, Octavius > Octaviani, etc.) oder der Dritten (Caesar, -is > Caesariani; Cicero, -onis > Ciceroniani, Herodes, -is >Herodiani), während die anderen verschiedene Endungen aufweisen, so zum Beispiel Gracchus > Gracchani, Sulla > Sullani, und auch aus Catilina kommt klassisch nicht Catiliniani sondern ausschließlich Catilinarii vor; idem von Brutus > Brutini, und dem danach geprägten späteren Petrus > Petrini, etc. Dies bedeutet, daß aus ‘Chrestus’, der latinisierten Form von ‘Chrestos’, unnatürlich ‘chrestiani’ sich ableiten läßt: Es müßte entweder ‘Chrestius’ sein, was nicht ist, oder eben ‘chrestes’, unser ‘Wucherer’, ‘Bauspekulant’. Idem für ‘christiani’ und ‘Christus’: Wie von Faustus keine ‘Faustiani’ gibt (aber Faustini), von festus keine ‘festiani’ (aber festivi) und von sextus keine ‘sextiani’ (aber sextarii), dürfte es dem Genius der Sprache nach auch von Christus schwerlich Christiani geben: Regulär hätte es eher (abgesehen von den theoretischen ‘Christivi’ und ‘Christarii’) entweder ‘Christini’ oder ‘Christani’ werden müssen. Was bedeutet, daß ‘christiani’ eine sekundäre spätere Nachprägung nach dem Muster von ‘chrestiani’ sein dürfte, etwa wie das nachklassische ‘Catiliniani’ nach dem Muster von ‘Caesariani’, ‘Pompeiani’, etc.

Oder will man ernsthaft behaupten, es habe keine Gräzismen im Lateinischen gegeben? Tertullian zum Beispiel, um nur einen zu nennen, einen Kirchenvater, den Herr van Hooff bekanntlich nicht liest, ist voll davon. Außerdem benutzt ein anderer angeblicher ‘Zeuge’ für Christus, Sueton, in jener berühmten oben zitierten Stelle auffälligerweise den Namen ‘chresto’: ‘impulsore chresto’ sagt er, und nicht ‘impulsore Christo’. Warum? Nach der lateinischen Deklination der griechischen Wörter ist ‘chresto’ ein korrekter Ablativ von ‘chrestes’, Wucherer. Womit wir wieder an demselben Punkt gelangen. Ein Zufall?

Dann fragt er noch, warum Wucherer im Volksmund mit einem griechischen Schimpfwort genannt wurden. Gegenfrage: Und warum wird in Rom heute noch genau jener Gräzismus beharrlich weiter benutzt? Warum sagen auch die heutigen Römer ‘far la cresta’ für spekulieren, obwohl sie zig italienische äquivalente Ausdrücke hätten, angefangen bei ‘speculare’?
Warum benutzt man Fremdwörter? Warum sprechen die Deutschen von ‘Schacher’, damit ein jüdisches Wort benutzend, obwohl sie das eigene Pendant ‘Wucher’ haben? Warum sagt man Pyromane statt Brandstifter? Vor allem, wann benutzt man Fremdwörter? In dem Fall die Bezeichnung mit einem Fremdwort, ‘chrestiani’, das in römischen Ohren klang wie in unseren etwa ‘Schacherer’, verstärkte den Ausdruck der Abscheu für eine volksverachtende Tat – den Brand von Rom zu schüren statt ihn zu löschen – wofür kein lateinisches Wort reichte: für eine unrömische Tat ein unrömisches Wort. Damit war gesagt, daß selbst dann, wenn es sich um Römer handelte, die Brandstifter und ihre Mandanten dem Volk nicht angehörten und aus dem Volk zu verstoßen waren.

Jedenfalls eins ist klar: Wenn Herr van Hooff recht hätte – wie nicht –, dann hätte er unter dem Mantel der Verteidigung einer angeblich ‘christlichen’ Deutung der Passage, den Christen einen Bärendienst erwiesen. Denn er hätte ihnen den Brand von Rom irgendwie doch untergeschoben, wenigstens müßte man dann Tacitus dahingehend verstehen, daß ‘die Christen vom Volk so genannt wurden, weil sie wegen ihrem schändlichen Handeln verhaßt waren’. Da kann man wirklich stolz darauf sein!

Jedenfalls, sachlich geht es um die Richtung der geschichtlichen Entwicklung. Es gibt ein Vorher und ein Nachher. Erst kam Tacitus, und schrieb auf Latein ‘chrestiani’, einen aussagekräftigen Gräzismus für Wucherer; dann kamen die gelehrten lateinischen Christen, wie Laktanz und Tertullian, und lasen, trotz bereits erfolgtem Ita- bzw. Jotazismus des Griechischen, weiter ‘chrêstiani’, das Wort wohl verstehend, denn ansonsten hätten sie den vermeintlichen Fehler korrigiert; erst viel später kamen die ungebildeten Christen, die bis heute nicht ausgestorben sind, die kein Griechisch und schlecht Latein kannten und können, wollten sich darin wiederfinden, weil es sie so brennend störte, daß sie nirgendwo in keiner Geschichte vorkamen, und schrieben a posteriori ‘christiani’ hinein.

Natürlich mag das nicht für jeden zwingend sein: Ein jeder folgt auch heute seiner Natur, und gesellt sich zu dieser oder jener Meinung. Asinus asinum fricat.

Es sei hier schließlich darauf aufmerksam gemacht, daß für die Ökonomie unserer Untersuchung nicht wesentlich ist, ob die Ableitung von chrestiani aus chrestes akzeptiert wird, oder gar ob die inkriminierte Tacitus-Stelle echt oder unecht sei, und inwiefern, wie wir in War Jesus Caesar? auch deutlich gesagt haben: cf. S. 142-145. Das, was sich objektiv feststellen läßt, ist folgendes:
a) In der ganzen antiken Historiographie fehlt jedes Zeugnis von Jesus. Die Zeugnisse betreffen wenn überhaupt nur Christus und dann nur als auctor des Christentums.
b) von Christus fehlen griechische Zeugnisse gänzlich, während lateinische erst aus dem zweiten Jahrhundert stammen;
c) Tacitus spricht unzweifelhaft von chrestiani, von christiani nur wenn man es hineinliest;
d) Tacitus’ chrestianos hat vermutlich mit Suetons chresto zu tun; ob letzteres auf einen gewissen Chrestos zurückgeht, ist spekulativ, noch spekulativer ist es, daß es sich um eine Verschreibung für Christus handele (für beide bietet sich angesichts des Kontextes eine Ableitung aus chrestes, Wucherer, an);
e) Christus kommt nur bei Tacitus vor, nur in der einzig erhaltenen Handschrift, nicht bei früheren Zitaten derselben, und nur in einer dubiosen Glosse. Von Jesus fehlt auch bei ihm jede Spur.
Das ist Stand des Konsenses. Nachzulesen überall, u.a. in der Realencyclopädie der Altertumswissenschaft, auch im Kleinen Pauly. Wie dürftig die zeitgenössischen Quellen über Jesus Christus sind, kann man auch im internet sehen, vielerorts, zum Beispiel auf der Site The Foundations of Christianity, wo sie alle aufgelistet sind: contemporary records of the Roman and Greek world. Sieh auch diesbezüglich den Beitrag ‘Das Schweigen der Lämmer’ von A. KLÖS im Forum Divi Iulii.
Wenn jemand darüber hinaus dies oder jenes glauben will, steht es ihm frei. Allerdings ändert dies am Konsens nichts.

Francesco Carotta

http://www.carotta.de

Gepost door: dejister | 7 december 2014

FRANCESCO CAROTTA CONTRA H.J.DE JONGE

Unknown-2

                                                                  T.F.

           – blad van de faculteit der godgeleerdheid van Universiteit Leiden –

                       35e jaargang, nummer 2, januari 2004 – p.3-13

                                                http://www.carotta.de

Carotta over Marcus en Jezus

H.J. DE JONGE

Unknown

Het boek War Jesus Caesar? van de Duitse, in Italië geboren, schrijver Francesco Carotta verscheen in 1999 in het Duits. In 2002 verscheen er een Nederlandse vertaling van bij Uitgeverij Aspekt in Soesterberg; hiervan zag in 2003 een tweede druk het licht. Carotta (1946) kondigt zichzelf aan als filosoof, linguïst, ondernemer in de informatica-branche en uitgever. Wat beweert hij in dit boek en wat is zijn betoog waard?

Carotta betoogt, dat het oudste evangelie, dat van Marcus, ontstaan is als een verhaal, niet over Jezus, maar over Julius Caesar. Door allerlei onopzettelijke en opzettelijke fouten in de overlevering is een verhaal dat oorspronkelijk over Caesar ging ten slotte een verhaal over Jezus geworden. Ten gevolge van verlezing, veranderingen bij het doorvertellen en overschrijven, vertaalfouten, verhaspeling van persoonsnamen en geografische namen, is er uit het verhaal over Caesars optreden tijdens de Romeinse burgeroorlog van 49 tot 44 voor Christus, een verhaal ontstaan over een zekere Jezus in de jaren rond 30 na Christus. De oorzaak waardoor er na Caesars dood behoefte ontstond aan een verhaal over hem, waarin hij als een soort goddelijk wezen op aarde tevoorschijn kwam, was, dat Caesar kort na zijn dood tot vergoddelijkt wezen, ‘opgenomen onder de goden’, werd verklaard. Hij werd door zijn opvolger Octavianus uitgeroepen tot ‘in de hemel opgenomen’. Dat vroeg, volgens Carotta, om een levensbeschrijving waarin ook Caesars aardse leven bovenmenselijke trekken vertoonde. Deze levensbeschrijving werd uiteindelijk het evangelie naar Marcus. Het verhaal dat in dit evangelie wordt verteld over Jezus, heeft, aldus Carotta, zijn oorsprong in het leven en de vergoddelijking van Julius Caesar. Anders gezegd: het evangelie naar Marcus is in feite een sterk misvormde weergave van het leven van Julius Caesar. Volgens Carotta beschrijft het evangelie naar Marcus in sterk gewijzigde vorm het optreden van Caesar in de Romeinse burgeroorlog.

Ter opfrissing van het geheugen: deze Romeinse burgeroorlog was de politieke en militaire strijd die Caesar van 49 tot 44 tegen Pompeius en diens partij voerde om de macht over het gehele door Rome beheerste gebied, van Gallië en Spanje tot en met Syrië en Egypte. Door veldslagen te winnen tegen de resten van Pompeius’ partij in Tunesië (bij Thapsus in 46) en Spanje (bij Munda in 45) werd Caesar in 45 onbetwist heer en meester, met de functies van alleenheerser (dictator), volkstribuun, consul voor vijf jaar, opperbevelhebber van alle legers, pontifex maximus, dat wil zeggen hoofd in alle godsdienstzaken, en met beschikkingsrecht over de schatkist, benoemingsrecht van alle magistraten, en tal van andere bevoegdheden. Maar Caesars neiging tot despotisme, zijn ijdelheid en de verdenking dat hij “koning” wilde worden, lokten een samenzwering tegen zijn leven uit. In maart 44 voor Christus werd hij in de senaat met 23 dolkstoten vermoord. Bij zijn crematie werd hij door Octavianus, de latere Augustus, uitgeroepen tot ‘vergoddelijkt’, dat wil zeggen ‘verheven tot godheid’, overigens in het verlengde van de goddelijke verering die Caesar zelf zich al bij zijn leven had laten bewijzen.

Volgens Carotta nu hadden bewonderaars van Caesar na zijn dood behoefte aan een verheerlijkende levensbeschrijving. Zij kozen daarvoor als uitgangspunt, aldus Carotta, een geschiedkundig werk over Caesar van de hand van de Romeinse literator en geschiedschrijver Asinius Pollio. Deze auteur was een generaal onder Caesar geweest, had zich na Caesars dood uit het openbare leven teruggetrokken, en wijdde zich voortaan aan het verzamelen van kunst en een bibliotheek, en aan het schrijven van literair werk. Hij was bevriend met de dichters Catullus, Vergilius en Horatius. Helaas is van het door Asinius Pollio in het Latijn geschreven geschiedwerk niets over, maar het kan enigermate gereconstrueerd worden uit de werken van twee latere Griekse geschiedkundige auteurs, namelijk Appianus’ Rhomaïka (tweede eeuw na Christus) en het Leven van Caesar van Plutarchus (46-120 na Christus).

In de periode van ca. 25 voor Christus tot 70 na Christus, dus in een periode van een eeuw, zou volgens Carotta het verhaal over Caesar van Asinius Pollio door Romeinse oud-soldaten naar Syrië zijn overgebracht. Daar zou het langzaam maar zeker, bij herhaalde navertelling, in het Grieks overgezet zijn.

Verder zou het hele gebeuren rond Caesar in de vertelling verplaatst zijn van Italië naar Galilea en Jeruzalem. Voorts zouden de belangrijke namen uit het verhaal over Caesar verbasterd zijn tot de namen die we nu in het evangelie naar Marcus vinden. En ten slotte is het verhaal van de jaren 49 tot 44 voor Christus in de tijd een kleine eeuw voorwaarts verschoven, naar de tijd rondom 30 na Christus.

Van de overeenkomsten tussen namen in de biografie van Caesar en die in Marcus maakt Carotta een belangrijk argument voor zijn theorie. Laten we daarom een paar van die overeenkomsten bekijken. De naam Jezus is volgens Carotta een samentrekking uit Gaius Julius (dit is Caesar), want Gai- werd Jè-, de slot-s van Gaius werd de sisklank in het midden van Jesus en de laatste lettergreep van Julius werd het slot van Jesus. Een ander voorbeeld: de aanduiding van Jezus als Christos, dus de term Christos, stamt volgens Carotta van Caesars titel pontifex maximus. Eerst werd pontifex maximus in het Grieks vertaald als archiereus megistos. Vervolgens werden deze zeven lettergrepen samengetrokken zodat uit archiereus de -ch- en de -r- , dus chr- overbleef, terwijl uit megistos het slot -istos werd overgehouden, samen Christos.

Het Latijnse Caesar (uitgesproken als Kaisar) werd in het Grieks: Kyrios, ‘Heer’. (Waarom dit zo gebeurde blijft onduidelijk; niet alleen kende het Grieks het woord Kaisar equivalent van het Latijnse Caesar, zodat helemaal geen verandering naar Kyrios nodig was, maar ook is onklaar hoe uit de klank -ai- de klank -ie- (= y) kon worden. En waarom nu opeens voor de uitgang -os geen grondslag in een Latijns -us meer nodig is, zoals het geval was bij Christos, is eveneens onduidelijk.)

Het Latijnse dictator werd via de tussenstap van het Latijnse synoniem magister, ‘meester’, tot het Griekse woord voor leraar, didaskalos, en zo tot het Aramese rabbi. Enzovoorts. Mooie staaltjes van verbastering zijn de volgende. Gallië, waar Caesar verbleef alvorens over de rivier de Rubico Italië binnen te trekken, werd in het Grieks van de veteranen in Syrië tot Galilea (hier treedt opeens verlenging op in plaats van verkorting). De Romein Lepidus, die na Caesars dood met Octavianus en Antonius het tweede driemanschap vormde, werd verbasterd tot niemand minder dan Pilatus, door verwisseling van lettergrepen en de vervorming van een -e- tot -a- .

De moordenaar van Caesar was Brutus. Diens naam kreeg bij Marcus twee verbasteringen. Ten eerste, door klankverschuivingen: Barabbas, de moordenaar wiens vrijlating de dood werd van Jezus. Ten tweede: Judas, want, aldus Carotta, Brutus heette voluit Junius Brutus, en Junius kon gemakkelijk verbasteren tot Judas. Uit de ene moordenaar van Caesar ontstonden er dus twee van Jezus.

Ten slotte: Caesars geliefde Cleopatra werd Maria Magdalena, want Cleoptra verdedigde zich tegen Antonius in een toren, en het Aramese Migdal betekent toren. Carotta ziet er aan voorbij, dat Maria Magdalena bij Marcus en de andere evangelisten geheel geen geliefde van Jezus is, en dat Magdalena gewoon betekent: afkomstig uit de plaats Magdala.
De conclusie van Carotta is, dat Jezus historisch niet bestaan heeft. De beschrijving van Jezus in Marcus is een verbasterde weergave van het leven van Caesar. De vraag die de titel van Carotta’s boek vormt: Was Jezus Caesar? moet volgens hem bevestigend worden beantwoord. Jezus zelf heeft nooit bestaan.

Tot zover Carotta. Wat moeten we hiervan denken?

We moeten Carotta’s werk begrijpen als een poging om het ontstaan en de inhoud van het evangelie naar Marcus te verklaren zonder enig beroep te doen op de mogelijkheid dat Jezus ooit historisch is opgetreden. In plaats van het evangelie naar Marcus te herleiden tot in Palestina overgeleverde traditie omtrent een historische persoon Jezus, tracht Carotta het evangelie naar Marcus te verklaren uit andere traditie, namelijk uit traditie over Caesar. Gesteld dat men dit experiment van Carotta serieus neemt, hoe plausibel is dan zijn herleiding van Marcus’ evangelie tot Caesars biografie? Is het aannemelijker dat Marcus’ verhaal uiteindelijk over Caesar gaat dan over een historische persoon Jezus? Is het boek van Marcus gemakkelijker te verklaren uit verbastering van traditie over Caesar dan uit traditie over een historische persoon Jezus?

Ik ben van mening dat dit niet zo is. Carotta’s theorie staat bloot aan talrijke zwaarwegende tegenargumenten waarvan ik er hier enkele in drie complexen zal groeperen.

1. Verschillen versus overeenkomsten

Carotta’s theorie rust geheel en al op de beweerde overeenkomsten tussen het verhaal over Caesar en het verhaal over Jezus, en op de beweerde overeenkomsten tussen de namen in het verhaal over Caesar en die in het verhaal over Jezus. De overeenkomsten echter tussen de verhalen van Caesar en Jezus zijn niets vergeleken bij de enorme verschillen. Hoe men het ook wendt of keert, Caesar was in de jaren 49 tot 44 voor Christus verreweg de machtigste politieke heerser en militaire bevelhebber van het hele Middellandse Zeegebied.

Hoe kan, in een traditie die (volgens Carotta) de bedoeling heeft deze persoon te verheerlijken, deze gigant binnen twee of drie generaties ineenschrompelen tot iemand van de nietige proporties van een eenvoudige, kwetsbare leraar en prediker?

Caesar voerde in de periode in kwestie een grootscheepse oorlog binnen en buiten Italië; hoe kan uit het relaas over die oorlog de traditie over het kleinschalige, vreedzame optreden van Jezus, zijn onderwijs en zijn genezingen, zijn gegroeid?

Caesar trok met legioenen naar Engeland, Egypte, Tunis en Spanje. Hoe kon deze reusachtige actieradius, nog wel in een verhaal dat hem als goddelijk wezen moest verheerlijken, ineenkrimpen tot de beperkte dimensies van een gebiedje ter grootte van Palestina, een streek niet groter dan de provincies Noord- en Zuid-Holland?

Hoe kon verder in het verhaal over Caesar verloren gaan, dat het zich voornamelijk afspeelde in Italië en Rome? Die veteranen die naar Syrië verhuisden wisten toch waar het politieke machtscentrum van het Romeinse rijk was? De bevolking van Syrië en Palestina wist toch dat de zware belasting die ze opbracht geheven werd door en voor Rome? Ze wist toch dat de machthebber over Syrië een door Rome gezonden stadhouder was, vergezeld van Romeinse legioenen? Iedereen daar was zich toch terdege bewust van de macht van Rome, zeker ook de bevolking van Galilea ten tijde van Marcus, aangezien de Romeinen daar in 66 en 67 de Joodse opstand hadden neergeslagen? Het evangelie naar Marcus zelf getuigt van een correct besef van de machtsverhoudingen wanneer het in 12:17 Jezus laat zeggen, dat men de Romeinse keizer de hem toekomende belasting moet betalen. Als Rome zo’n rol speelde in het bewustzijn van de bevolking van Syrië en Palestina, hoe kan daar in een verhaal over Caesar dan de notie Rome geheel verdwenen zijn? Hoe kon de naam van Caesar in dit verhaal, dat hem juist moest vieren, verloren gaan, ofschoon het precieze equivalent, het woord en de naam Kaisar, in het Grieks voorhanden was, tot in het evangelie naar Marcus (12:14, 17) toe? Hoe is het mogelijk, dat het besef van tijd zo verloren kon gaan als Carotta veronderstelt? Caesar werd gedood in 44 voor Christus, maar in het verhaal dat bij Marcus over hem resteert is de sterfdatum bijna een eeuw later. Is het aannemelijk, dat elk benul omtrent de datering van Caesar zo verloren kon gaan? In de Romeinse provincie Syrië? In traditie afkomstig van Caesars veteranen?

Carotta hangt zijn theorie op aan veelal kleine overeenkomsten in namen, maar de enorme mutaties die hij veronderstelt tussen het verhaal van Caesar en het verhaal over Jezus, zoals zojuist gesignaleerd, laat hij onverklaard.

2. Willekeur in de verklaring van verbasterde namen

De verbasteringen van namen die Carotta opvoert zijn haast alle uitermate onwaarschijnlijk. Dat de naam Jezus een verbastering kan zijn van Gaius Julius is taalkundig onmogelijk, evenzo dat de term Christos van archiereus megistos zou stammen; dit laatste te meer, omdat de aanduiding Christos bij Marcus helemaal geen priesterlijke connotatie heeft, maar een koninklijke (zie bijvoorbeeld Mc. 14:62). Daarbij komt, dat de titel Christos in Griekstalige joodse traditie als aanduiding van een toekomstige ideale koning van een binnenkort bevrijd Israël al in voorchristelijke traditie voorhanden is.

De manier waarop Carotta namen uit het verhaal van Jezus terugvoert op namen uit het verhaal over Caesar, is niet alleen linguïstisch, maar vooral uit wetenschapsmethodisch oogpunt ontoelaatbaar. Het aantal mogelijke verklaringen voor verbasteringen van namen is bij Carotta even talrijk als het aantal namen waarvan hij de verbastering wil verklaren. Het aantal mogelijk verklaringen is praktisch ongelimiteerd. De ene keer verklaart hij een naam bij Marcus uit samentrekking uit twee vroegere woorden, dan weer door toevoeging van woorden. Nu eens is de nieuwe naam verklaarbaar uit verhaspeling van lettergrepen, dan weer door het postuleren van tussenliggende synoniemen. Nu eens speelt corruptie door vertaling een rol, dan weer niet. Soms is het alleen de beweerde gemeenschappelijke functie van twee plaatsen die hun identificatie rechtvaardigt: de Jordaan staat voor de Rubico, omdat Caesar bij de aanvang van de burgeroorlog over de Rubico trok en Jezus bij de aanvang van zijn werkzaamheid over de Jordaan (alleen, er staat er bij Marcus nergens dat hij daarover trok). Dan weer moet men eerst een naam toevoegen om te kunnen begrijpen hoe de Latijnse naam tot de naam bij Marcus werd: Brutus wordt pas Judas als men eerst weet dat Brutus ook Julius heette.

Wat een inconsistentie trouwens in Carotta’s theorie: de localisering en datering van Caesars optreden en dood in Rome werden in de overlevering naar en in Syrië geheel vergeten, maar het detail dat Brutus ook Julius heette, bleef in de overlevering tot in Syrië bekend!
Het methodologische probleem van deze verklaringen is, dat Carotta constant nieuwe hypothesen tot verklaring van verbastering van namen invoert. Door het aantal mogelijke verklaringen steeds maar uit te breiden, kan iedereen altijd verklaren wat hij maar wil. Met de vindingrijkheid van Carotta is alles te “bewijzen”. Maar zo’n bewijsvoering is te arbitrair, te speculatief en te fantasierijk om ook maar iets aannemelijk te kunnen maken. Een goede theorie zoekt zoveel mogelijk te verklaren met juist zo weinig mogelijk hypothesen.
Maar het aantal hypothesen met behulp waarvan Carotta de “verbasterde” namen bij Marcus “verklaart”, is in feite onbeperkt. Een methode waarmee alles bewezen kan worden, bewijst ten slotte niets meer.

3. De plausibiliteit van Jezus’ historiciteit op andere gronden

Een verklaring die iets bevredigend verklaart met minder veronderstellingen is theoretisch verkieslijk boven een verklaring die meer veronderstellingen vereist.

Op het onderhavige geval toegepast: indien we het bestaan van Marcus’ verhaal over Jezus kunnen verklaren met een theorie die rust op veel veronderstellingen en met een andere theorie die rust op weinig veronderstellingen, dan verdient de laatste de voorkeur. De theorie van Carotta is een verklaring die talloze veronderstellingen vergt: de beantwoording van de vragen hierboven in paragraaf 1. gesteld vergt telkens nieuwe veronderstellingen. Ook de taalkundige verklaringen voor de “verbasterde” namen in Marcus eisen telkens nieuwe veronderstellingen. Het is echter mogelijk de inhoud van Marcus eenvoudiger, met minder hypothesen, te verklaren, en wel als bewerking van een oudere traditie die teruggaat op berichten over Jezus als historische persoon.

We vinden namelijk in Marcus een aantal gegevens over Jezus, die we ook in andere, oudere bronnen over Jezus vinden, bronnen die van Marcus onafhankelijk zijn. We hebben naast elkaar minstens drie, onderling onafhankelijke bronnen: Marcus, Paulus, en de gemeenschappelijke bron van Mattheüs en Lucas, aangeduid als Q (van Quelle). Paulus schreef in de jaren 50 tot 60 na Christus, Marcus in of kort na 70 na Christus, en Q ontstond ergens tussen 50 en 70. Onafhankelijk van elkaar getuigen al deze drie bronnen, (1) dat Jezus als historische persoon is opgetreden, (2) dat hij een jood was, geen Romein, (3) dat hij de naam Jezus droeg, (4) dat hij het aanstaande aanbreken van de ‘heerschappij van God’ predikte, overigens in overeenstemming met een in het jodendom van die tijd bestaande trend; en (5) dat hij ter dood is gebracht door kruisiging.

Wat van belang is, is dat we de genoemde informatie tegelijk in drie onderling onafhankelijke bronnen hebben. Ik zeg dus niet, dat Q de historiciteit van Jezus bewijst.1 Ook niet dat Paulus of Marcus de historiciteit van Jezus bewijst. Ik zeg dat de overeenstemming van Marcus, Paulus en Q op de genoemde punten een sterke aanwijzing vormt voor de historiciteit van Jezus. Immers, die overeenstemming is niet anders te verklaren dan uit gemeenschappelijke oudere traditie, dat wil zeggen, uit traditie die ouder is dan elk van de drie getuigen afzonderlijk, maar door elk van de drie benut is. En een traditie die ouder is dan Marcus, Paulus en Q afzonderlijk, maar door elk van die drie kon worden gebruikt, moet tamelijk oud zijn; ze kan gemakkelijk terugreiken tot in de jaren veertig of dertig van de eerste eeuw. Ze komt chronologisch dus dicht in de buurt bij de persoon over wie ze handelt, en kan in een aantal gevallen heel goed op oog- en oorgetuigen van Jezus teruggaan. In elk geval maakt haar hoge ouderdom haar claim dat ze handelt over een historische persoon vertrouwenswekkend en aannemelijk (al wordt daarmee nog lang niet direct elk aan Jezus toegeschreven woord ook een woord van de historische Jezus; de discussie over de criteria die voor de bepaling van de authenticiteit van woorden van Jezus worden gehanteerd, laat ik hier ter zijde). De overeenstemming van Marcus, Paulus en Q maakt dat we weliswaar summiere, maar oeroude informatie over Jezus als historische persoon hebben. Aan de historiciteit van Jezus, en zelfs aan de hoofdzaak van zijn prediking, kan redelijkerwijs geen twijfel bestaan. Ik laat nu buiten beschouwing, dat er ook oude niet-christelijke getuigen zijn voor de historiciteit van Jezus.2
De herleiding van het evangelie naar Marcus tot de gemeenschappelijke oudere traditie achter Marcus, Paulus en Q betreffende de historische persoon Jezus vormt een veel eenvoudiger verklaring voor de inhoud van het boek van Marcus dan de theorie van Carotta die Marcus’ beschrijving van Jezus wil verklaren als teruggaand op een leven van Caesar. De theorie van Carotta roept veel meer problemen op dan de theorie die Marcus terugvoert op oudere traditie aangaande een historische persoon Jezus. Carotta stelt ons constant voor nieuwe complicaties, die dan weer nieuwe hypothesen vereisen. Van verschillende theorieën echter die hetzelfde verklaren verdient die theorie die het minste aantal hypothesen vergt, de voorkeur. Daarom verliest Carotta’s theorie het van de theorie die uitgaat van de hypothese, dat Marcus teruggaat op traditie betreffende een historische Jezus. De claim van deze laatste traditie, dat ze een historische persoon betreft, is geloofwaardig doordat ze chronologisch zeer ver terugreikt en zonder veel bezwaar geacht mag worden terug te gaan op tijdgenoten van Jezus.

Slotsom

Carotta’s zienswijze op Marcus veronachtzaamt de immense verschillen tussen de biografie van Caesar en de voorstelling van Jezus in Marcus, en laat die verschillen onverklaard. Carotta’s visie hangt te veel af van onbeduidende en vergezochte overeenkomsten tussen eigennamen in Caesars biografie en het evangelie naar Marcus. Ze onderschat de plausibiliteit van Jezus’ historiciteit waarop de gemeenschappelijke oudere traditie achter Marcus, Paulus en Q wijst. De theorie waarmee Carotta het evangelie naar Marcus verklaart kan daarom geen stand houden.

H.J. de Jonge

Leiden, 26 december 2003.

NOTEN

1 Dit heeft Andreas Kinniging, rechtsfilosoof, niet begrepen; Mare 20.2.2003, p. 8.
2 De joodse geschiedschrijver Flavius Josephus vermeldt ca. 90 na Christus in zijn Antiquitates judaicae XVIII 63-64 dat Jezus optrad als leraar en wonderdoener, en door Pilatus op aangeven van joodse leiders werd gekruisigd. In hetzelfde werk, XX 200, vermeldt Josephus de dood van Jacobus en zegt daarbij dat deze Jacobus “de broer van Jezus, ook genaamd Christus” was. De Romeinse geschiedschrijver Tacitus zegt ca. 110 in zijn Annales XV 44, dat de grondlegger van de christelijke beweging was “Christus, die tijdens de regering van Tiberius door de procurator Pontius Pilatus met de doodstraf was bestraft.” De Romeinse geschiedschrijver Suetonius schrijft omstreeks 125 na Chr. in zijn Leven van Claudius 25,4 dat er onder keizer Claudius, ca. 50 na Christus, voortdurend ongeregeldheden onder de joden te Rome waren “op aanstichten van Chrestus”. Suetonius weet kennelijk niet exact meer wat de oorzaak van de onenigheid onder de joden in Rome was, maar de waarschijnlijkste interpretatie van zijn woorden is toch wel, dat tegen het jaar 50 de prediking van christelijke joden in Rome, die andere joden opriepen om volgeling van Christus te worden, herhaaldelijk tot onenigheid aanleiding gaf. Suetonius’ spelling “Chrestus” is begrijpelijk: Chrestos was een gangbare Griekse eigennaam (Christos niet), en Christos werd hetzelfde uitgesproken als Chrestos, allebei met -ie- in de eerste lettergreep. Suetonius gaf dus de hem best lijkende spelling. – De reden waarom ik al deze getuigenissen buiten beschouwing laat, is dat er over al deze passages discussie mogelijk is. Mij is het drievoudig getuigenis van Marcus, Paulus en Q voor Jezus’ historiciteit sterk genoeg, ook zonder hulp van de buitenbijbelse testimonia. Ze voeren bovendien tot een veel ouder of vroeger stadium van de overlevering terug, dan de buitenbijbelse bronnen.

—————————

REAKTIE FRANCESCO CAROTTA:

NOTA BENE: Allereerst moet men vaststellen dat De Jonge een onwetende is – zo niet iemand, die moedwillig en met opzet verwarring schept.

Hij schrijft bijvoorbeeld op bladzijde 4:

Door veldslagen te winnen tegen de resten van Pompeius’ partij in Tunesië (bij Thapsus in 46) en Spanje (bij Munda in 45) werd Caesar in 45 onbetwist heer en meester, met de functies van alleenheerser (dictator), volkstribuun, consul voor vijf jaar, opperbevelhebber van alle legers, pontifex maximus, dat wil zeggen hoofd in alle godsdienstzaken, en met beschikkingsrecht over de schatkist, benoemingsrecht van alle magistraten, en tal van andere bevoegdheden.

Caesar werd niet pas na Munda in 45 pontifex maximus, (dat wil zeggen aan het einde van de burgeroorlog), maar lang daarvóór. Hij was het al vóór de Gallische oorlog – namelijk sinds 63 v.C. Dat weet ieder schoolkind.

Bij zijn crematie werd hij door Octavianus, de latere Augustus, uitgeroepen tot ‘vergoddelijkt’, dat wil zeggen ‘verheven tot godheid’, overigens in het verlengde van de goddelijke verering die Caesar zelf zich al bij zijn leven had laten bewijzen.

Tijdens Caesars bijzetting was Octavianus, de latere Augustus, helemaal niet in Rome, maar in Apollonia, waar hij op Caesar wachtte, die tegen de Parthen zou optrekken. In Rome was Antonius. Dat weet ook ieder schoolkind – ook zonder ons boek gelezen te hebben.

Asinius Pollio. Deze auteur was een generaal onder Caesar geweest, had zich na Caesars dood uit het openbare leven teruggetrokken, en wijdde zich voortaan aan het verzamelen van kunst en een bibliotheek, en aan het schrijven van literair werk.

Asinius Pollio had zich helemaal niet teruggetrokken. Toen Caesar vermoord werd, voerde hij het commando in Spanje, schaarde zich aan de zijde van Antonius, bemiddelde vervolgens tussen Antonius en Octavianus, bereikte een vredesovereenkomst tussen die beiden en werd zelfs consul in het jaar van hun verzoening: daarom bezong Vergilius hem in zijn vierde ecloge. Ook voerde Asinius succesvol oorlog tegen de Parthiniërs en financierde met de oorlogsbuit de eerste, door Caesar geplande, openbare en tevens tweetalige bibliotheek (met een Griekse en Latijnse afdeling) te Rome, die hij onderbracht in het door hem schitterend gerestaureerde Atrium Libertatis (Hal der Vrijheid, een gebouw dat grensde aan het Forum Iulium, het forum van Caesar). Ergo, van een Asinius Pollio die zich teruggetrokken had, kan in het geheel geen sprake zijn.

Helaas is van het door Asinius Pollio in het Latijn geschreven geschiedwerk niets over, maar het kan enigermate gereconstrueerd worden uit de werken van twee latere Griekse geschiedkundige auteurs, namelijk Appianus’ Rhomaïka (tweede eeuw na Christus) en het Leven van Caesar van Plutarchus (46-120 na Christus).

Weliswaar worden Appianus’ werken over de Romeinse geschiedenis samengevat onder de titel Rhomaïká (Rhomaïkê historía), maar omdat die geschiedenis 24 boeken omvat, moet men zich beperken tot die boeken die er toe doen: de Emphília, de drie boeken over de burgeroorlog.

En ten slotte is het verhaal van de jaren 49 tot 44 voor Christus in de tijd een kleine eeuw voorwaarts verschoven, naar de tijd rondom 30 na Christus.

Het is geen ‘kleine eeuw’: het is exact 100 jaar voor wat de geboorte betreft (Caesar *100 v.C.), en 76 jaar, dat wil zeggen precies de duur van één paascyclus, voor wat de dood betreft (Caesar † 44 v.C. (bij de invoering van de Juliaanse kalender 45 v.C.), Jezus † 31 n.C. – volgens de berekening van het historische Pasen door Dionysius Exiguus).

Nadat hij ons heeft laten zien dat hij geen benul van geschiedenis heeft – dat wil zeggen dat hij al niet bij machte was de boeken van anderen te lezen – wil hij ons per se nog bewijzen dat hij ook van linguïstiek niets begrijpt – hij is interdisciplinair in de Onwetendheid! – en natuurlijk ons boek niet kan lezen (wat geen wonder mag heten, nu hij deel uitmaakt van de bende van Onwetenden met voorbedachten rade, die opgeroepen heeft ‘dit boek’ niet te lezen!). Enige voorbeelden:

De naam Jezus is volgens Carotta een samentrekking uit Gaius Julius (dit is Caesar), want Gai- werd Jè-, de slot-s van Gaius werd de sisklank in het midden van Jesus en de laatste lettergreep van Julius werd het slot van Jesus.

Dat is onzin. In ieder geval staat dát niet bij ons, zeker niet op die manier.

Een ander voorbeeld: de aanduiding van Jezus als Christos, dus de term Christos, stamt volgens Carotta van Caesars titel pontifex maximus. Eerst werd pontifex maximus in het Grieks vertaald als archiereus megistos. Vervolgens werden deze zeven lettergrepen samengetrokken zodat uit archiereus de -ch- en de -r- , dus chr- overbleef, terwijl uit megistos het slot -istos werd overgehouden, samen Christos.

Dat staat wel bij ons, maar anders, en wel als een van de te onderzoeken werkhypothesen.

Hij heeft hoe dan ook het wezenlijke over het hoofd gezien, namelijk dat lange namen in het gebruik van alledag worden verkort tot maximaal twee lettergrepen – bijvoorbeeld Margareta > Greta/Margriet/Marga/Rita; Johannes > Jannes/Jan/John/Hans; Colonia > Köln; Confluentes > Koblenz; Mogontiacum > Mainz; Turnacum > Tournai/Doornik; Namurcum > Namur/Namen; Forum Livii > Forlì; Lugdunum > Lyon; Caesaraugusta > Zaragoza; Hippodiarrhytus > Bizerte; presbyteros > priester/priest/prêtre, et cetera. Derhalve zou onze confusionist ons dienen duidelijk te maken tot wat, volgens zijn mening en deze glasheldere, niet mis te verstane wet, GaiusCaesar en ArchiereusMegistos worden verkort. Alstublieft! Wij wachten.

Alle andere, bewust uit hun context gelichte voorbeelden zijn van dezelfde soort en bewijzen slechts dat onze confusionist noch kan of wil lezen.

Dan komt hij tot een, ons in de schoenen geschoven gevolgtrekking:

De conclusie van Carotta is, dat Jezus historisch niet bestaan heeft. De beschrijving van Jezus in Marcus is een verbasterde weergave van het leven van Caesar. De vraag die de titel van Carotta’s boek vormt: Was Jezus Caesar? moet volgens hem bevestigend worden beantwoord. Jezus zelf heeft nooit bestaan.

Dat is werkelijk een juweel: omdat wij laten zien dat de mededelingen van Marcus een weergave van Caesars leven vormen, moet onze conclusie luiden dat Jezus historisch niet heeft bestaan! Wat een logica! Wanneer de historische Jezus zich als Caesar ontpopt, dan zou hij niet bestaan hebben? Heeft Caesar soms nooit bestaan? Dat is wel het toppunt! Voorlopig tussenresultaat: nul in geschiedenis, niks in linguïstiek, noppes in logica. Dat begint al goed!

Dan komt de mededeling dat hij een vooringenomen mening heeft, die hij met tegenargumenten zal proberen te redden.

Ik ben van mening dat dit niet zo is. Carotta’s theorie staat bloot aan talrijke zwaarwegende tegenargumenten waarvan ik er hier enkele in drie complexen zal groeperen.

Alsof de tegenargumenten, hoe steekhoudend ze ook mogen uitvallen, hem zouden kunnen behoeden voor de vraag naar de verklaring van die waargenomen overeenkomsten tussen het evangelie en het verslag van de Romeinse burgeroorlog respectievelijk Caesars leven. Wat een kinderlijk denken! Alsof dan, wanneer hij tegenargumenten vindt, de bewijslast niet meer op hem zou rusten zodra hij maar weigert uit de feiten de vanzelfsprekende conclusies te trekken. Beslist geen natuurwetenschapper!

Tweede tussenresultaat: nul in geschiedenis, niks in linguïstiek, noppes in logica, nada in epistemologie.

En hoe zien deze zogenaamd alles op losse schroeven zettende tegenargumenten eruit?

Hoe kan, in een traditie die (volgens Carotta) de bedoeling heeft deze persoon te verheerlijken, deze gigant binnen twee of drie generaties ineenschrompelen tot iemand van de nietige proporties van een eenvoudige, kwetsbare leraar en prediker?

Tja: de berg heeft een muis gebaard. En lezen wil hij nog steeds niet, de goede man! Wij hebben klaar en helder naar voren gebracht – eerste bladzij van het laatste hoofdstuk – dat Jezus niet Caesar is, maar Divus Iulius, dat wil zeggen een god, die weliswaar als mens op aarde geleefd had, maar desalniettemin een echte god: hemels en eeuwig. Precies daarin ligt het onderscheid. Bij een god hoeft men zich niet te herinneren hoe zijn aardse habitus was. Een god is naakt. Divus Iulius is op afbeeldingen halfnaakt – overigens zoals Jezus Christus in onze kerken (ik raad een reis in het zuiden aan, naar de dorpskerkjes van Campanië en Sicilië) – Divi Filius (d.i. Augustus) zelfs helemaal naakt, zoals Apollo. Dat wat men zich bij een god herinnert is vita mors miracula – leven dood en wonderdaden: alles natuurlijk mooi verheerlijkt, zoals bij de verhalen over onze heiligen. Of kent onze man niet het verschil tussen een biografie en een hagiografie?

Het methodologische probleem van deze verklaringen is, dat Carotta constant nieuwe hypothesen tot verklaring van verbastering van namen invoert.

Wat hij klaarblijkelijk niet snapt is dat wij beginnen met het opstellen van hypothesen, die wij vervolgens in de synoptische vergelijking van de teksten verifiëren – waar dan blijkt dat de evangelist niet altijd de verwachte verwisselingen heeft gemaakt, maar andere, die hem dan net beter uitkwamen. Zo maakt hij weliswaar van Decimus Iunius Brutus elke keer Judas, een van de twaalf; Marcus Brutus daarentegen, verandert hij nu eens in Malchus, dan weer in Barabbas, soms zelfs in Petrus. De rol in de situatie geeft de doorslag. Is het soms ons probleem als onze confusionist daarmee problemen heeft, omdat hij eenvoudige dingen al niet begrijpt en dus bij complexe zaken volledig kopje onder gaat?

Dan komt het vanouds beproefde:

Het is echter mogelijk de inhoud van Marcus eenvoudiger, met minder hypothesen, te verklaren, en wel als bewerking van een oudere traditie die teruggaat op berichten over Jezus als historische persoon.

Waarna dan het gebruikelijke afgezaagde verhaal komt, wat ook een Mel Gibson blij zou maken. Tja, jammer alleen, dat zoveel onderzoekers, ja zelfs theologen, aan het historische bestaan van Jezus twijfelen. En dat al sinds eeuwen. Al vóór Voltaire. Namen bij Albert Schweitzer na te lezen. Wat is er toch met al die lui? Hebben ze allemaal ons boek gelezen en dat van De Jonge nog niet? Hopelijk lezen zij zijn boek alsnog: misschien komen zij dan toch nog in de hemel! Waarom zegt men alleen al van de Leben-Jesu-Forschung, samenvattend, dat haar geschiedenis het verhaal van haar falen is? Waren het louter idioten die zich daarmee bezig hebben gehouden? Wakker worden!

Nochtans durft hij de ouwe koeien over het zogenaamde voorkomen van de naam Jezus bij Tacitus, Suetonius en Flavius Josephus – dat wil zeggen de lijst van interpolaties door ecclesiastische hand in de klassieke teksten, om de bij alle historici onbekende Jezus post festum een historische schijnexistentie te verlenen – niet meer in zijn tekst te vermelden, maar verstopt hij ze in een voetnoot. Waarom? Waarom bespreekt hij niet grondig de onthullende argumenten die van oudsher tegen dat gesjacher werden aangevoerd waardoor ze volledig door de mand vielen – zoals ook wij in ons boek uitvoerig deden (namelijk in het hoofdstuk “Heroriëntatie, Niet-christelijke bronnen vóór en na 70”)? Is hij bang daarvoor, of wil hij het nog steeds niet lezen? Wil hij zijn schaapjes, de theologiestudenten, daartegen beschermen?

De theorie van Carotta roept veel meer problemen op dan de theorie die Marcus terugvoert op oudere traditie aangaande een historische persoon Jezus.

Waarom? Divus Iulius werd in het oosten van het Romeinse Rijk tot Jezus, zoals de heilige Franciscus voor de Brazilianen niet uit Assisi in Umbrië komt, maar uit Assis in Rio Grande do Sul: een onvervalste Braziliaan!

‘Het hoofd is rond, opdat de gedachten de richting kunnen veranderen’ – zei Picabia. Onze man moet een onhandige kubus hebben.

(vertaald door Drs. A. P. J. Hendriks)

—————————

DEUTSCH (Original):

NOTA BENE: Zuerst muß man feststellen, daß de Jonge ein Ignorant ist – wenn nicht ein mutwilliger und vorsätzlicher Konfusionist.

Er schreibt zum Beispiel S.4:

Door veldslagen te winnen tegen de resten van Pompeius’ partij in Tunesië (bij Thapsus in 46) en Spanje (bij Munda in 45) werd Caesar in 45 onbetwist heer en meester, met de functies van alleenheerser (dictator), volkstribuun, consul voor vijf jaar, opperbevelhebber van alle legers, pontifex maximus, dat wil zeggen hoofd in alle godsdienstzaken, en met beschikkingsrecht over de schatkist, benoemingsrecht van alle magistraten, en tal van andere bevoegdheden.

Caesar wurde Pontifex maximus nicht erst nach Munda 45, d.h. am Ende des Bürgerkriegs, sondern war es schon lange, schon vor dem Gallischen Krieg – nämlich seit 63 v.Chr. Das weiß jedes Schulkind.

Bij zijn crematie werd hij door Octavianus, de latere Augustus, uitgeroepen tot ‘vergoddelijkt’, dat wil zeggen ‘verheven tot godheid’, overigens in het verlengde van de goddelijke verering die Caesar zelf zich al bij zijn leven had laten bewijzen

Bei Caesars Beisetzung war Octavianus, der spätere Augustus, gar nicht in Rom, sondern in Apollonia, wo er auf den gegen die Parther ziehende Caesar wartete. In Rom war Antonius. Das weiß auch jedes Schulkind – auch ohne unser Buch gelesen zu haben.

Asinius Pollio. Deze auteur was een generaal onder Caesar geweest, had zich na Caesars dood uit het openbare leven teruggetrokken, en wijdde zich voortaan aan het verzamelen van kunst en een bibliotheek, en aan het schrijven van literair werk.

Asinius Pollio hatte sich überhaupt nicht zurückgezogen: Als Caesar ermordet wurde, kommandierte er in Spanien, schlug sich auf die Seite des Antonius, vermittelte dann zwischen Antonius und Octavian, erreichte einen Friedenschluß unter den beiden, und wurde selbst zum Konsul im Jahre ihrer Versöhnung: Deswegen besang ihn Vergil in seiner berühmten 4. Ecloge. Auch führte er erfolgreich Krieg gegen die Parthiner, und finanzierte mit der Kriegsbeute die zweisprachige Bibliothek (griechisch-lateinisch) in Rom, im Atrium Libertatis. Also, von einem zurückgezogenen Asinius Pollio kann überhaupt nicht die Rede sein.

Helaas is van het door Asinius Pollio in het Latijn geschreven geschiedwerk niets over, maar het kan enigermate gereconstrueerd worden uit de werken van twee latere Griekse geschiedkundige auteurs, namelijk Appianus’ Rhomaïka (tweede eeuw na Christus) en het Leven van Caesar van Plutarchus (46-120 na Christus).

Zwar ist der Oberbegriff für Appians Werke über die römische Geschichte Rhomaïká (Rhomaïkê historía), aber, da es 24 Bücher waren, sollte man sich beschränken auf das Gemeinte: die Emphília, die drei Bücher über den Bürgerkrieg.

En ten slotte is het verhaal van de jaren 49 tot 44 voor Christus in de tijd een kleine eeuw voorwaarts verschoven, naar de tijd rondom 30 na Christus.

Es ist kein ‘Kleines Jahrhundert’: Es sind exakt 100 Jahre was die Geburt angeht (Caesar *100 v.Chr.), und 76 Jahre, d.h. genau die Länge eines Osterzyklusses, was den Tod angeht (Caesar 44 v. Chr., (mit Einführung des Julianischen Kalenders 45 v.Ch.) Jesus 31 n.Chr. – laut Berechnung des historischen Ostern durch Dionysius Exiguus).
Nachdem er uns zur Genüge gezeigt hat, daß er keine Ahnung von Geschichte hat – d.h., daß er schon die Bücher der anderen nicht lesen konnte –, will er uns unbedingt noch beweisen, daß er auch von Linguistik nichts versteht – er ist interdisziplinär in der Ignoranz! – und natürlich unser Buch nicht lesen kann (kein Wunder, da er zu jener Bande von vorsätzlichen Ignorantisten gehört, die aufgerufen haben, ‘dies Buch’ nicht zu lesen!). Einige Beispiele:

De naam Jezus is volgens Carotta een samentrekking uit Gaius Julius (dit is Caesar), want Gai- werd Jè-, de slot-s van Gaius werd de sisklank in het midden van Jesus en de laatste lettergreep van Julius werd het slot van Jesus.

Das ist Unsinn. Jedenfalls steht das nicht bei uns, jedenfalls nicht so.

Een ander voorbeeld: de aanduiding van Jezus als Christos, dus de term Christos, stamt volgens Carotta van Caesars titel pontifex maximus. Eerst werd pontifex maximus in het Grieks vertaald als archiereus megistos. Vervolgens werden deze zeven lettergrepen samengetrokken zodat uit archiereus de -ch- en de -r- , dus chr- overbleef, terwijl uit megistos het slot -istos werd overgehouden, samen Christos.

Das steht zwar bei uns, aber anders, und zwar als eine der zu untersuchenden Arbeitshypothesen.

Auf jeden Fall hat er das Wesentliche übersehen, nämlich daß lange Namen nachweislich sich im alltäglichen Gebrauch auf maximal zwei Silben verkürzen – etwa Margareta > Greta/Margit/Rita; Johannes > Jannis/Jan/John/Hans; Colonia > Köln, Confluentes > Koblenz; Mogontiacum > Mainz, Forum Livii > Forlì, Lvgdunum > Lyon / Caesaraugusta > Zaragoza / Hippodiarrhytus > Bizerte / Presbyteros > Priest, etc. So sollte uns unser Konfusionist erklären zu was seiner Meinung nach, nach diesem eindeutigen Gesetz, sich GaiusCaesar und ArchiereusMegistos verkürzen: Bitte schön! Wir warten. Alle anderen mutwillig aus dem Kontext herausgegriffenen Beispiele sind von derselben Sorte, und beweisen nur, daß unser Konfusionist entweder nicht lesen kann, oder nicht lesen will.
Dann kommt er zu unserer angeblichen Schlußfolgerung:

De conclusie van Carotta is, dat Jezus historisch niet bestaan heeft. De beschrijving van Jezus in Marcus is een verbasterde weergave van het leven van Caesar. De vraag die de titel van Carotta’s boek vormt: Was Jezus Caesar? moet volgens hem bevestigend worden beantwoord. Jezus zelf heeft nooit bestaan.

Das ist wirklich eine Perle: Weil wir zeigen, daß Markus’ Bericht eine Widergabe vom Leben Caesar ist, soll es unsere Schlußfolgerung sein, daß Jesus historisch nicht existiert hat! Was für eine Logik! Wenn der historische Jesus sich entpuppt, Caesar gewesen zu sein, soll er dann nicht existiert haben? Hat etwa Caesar nie existiert? Das ist wohl der Gipfel! Zwischenergebnis: Null in Geschichte, null in Linguistik, null in Logik. Es fängt ja gut an!
Dann kommt die Ankündigung, daß er eine voreingenommene Meinung hat, die er versuchen wird, mit Gegenargumenten zu retten.

Ik ben van mening dat dit niet zo is. Carotta’s theorie staat bloot aan talrijke zwaarwegende tegenargumenten waarvan ik er hier enkele in drie complexen zal groeperen.

Als ob die Gegenargumente, egal wie stichhaltig sie auch ausfallen mögen, ihm ersparen könnten, zu erklären, warum es jene beobachteten Übereinstimmungen zwischen dem Evangelium und dem Bericht über den römischen Bürgerkrieg bzw. Caesars Leben gibt. Was für ein naives Denken! Als ob dann, wenn er Gegenargumente findet, die Beweislast nicht mehr auf ihm ruhen würde, sobald er sich weigert, die logischen Schlüsse aus den Fakten zu ziehen. Bestimmt kein Naturwissenschaftler!
Zweites Zwischenergebnis: Null in Geschichte, null in Linguistik, null in Logik, null in Epistemologie. Und wie sind diese angeblich umwerfenden Gegenargumente?

Hoe kan, in een traditie die (volgens Carotta) de bedoeling heeft deze persoon te verheerlijken, deze gigant binnen twee of drie generaties ineenschrompelen tot iemand van de nietige proporties van een eenvoudige, kwetsbare leraar en prediker?

Tja: Der Berg hat eine Maus geboren. Und lesen will er immer noch nicht, der gute Mann! Wir haben klar herausgestellt – erste Seite des letzten Kapitels –, daß Jesus nicht Caesar ist, sondern Divus Iulius, d.h. ein Gott, der zwar als Mensch auf Erden gelebt hatte, aber nichtsdestotrotz ein echter Gott: himmlisch und ewig. Der Unterschied liegt genau darin. Bei einem Gott braucht man sich nicht zu erinnern, wie sein irdischer Habitus war. Ein Gott ist nackt. Divus Iulius ist halbnackt dargestellt worden – wie Jesus Christus in unseren Kirchen übrigens (ich empfehle eine Reise in den Süden, zu den Dorf-Kirchleins Kampaniens oder Siziliens) – Divi Filius (i.e. Augustus) sogar ganz nackt, wie Apollo. Das woran man sich bei einem Gott erinnert, ist vita mors miracula – Leben Tod und Wundertaten: Alles schön verklärt natürlich, wie bei unseren Heiligengeschichten. Oder kennt unser Mann den Unterschied zwischen einer Biographie und einer Hagiographie nicht?

Het methodologische probleem van deze verklaringen is, dat Carotta constant nieuwe hypothesen tot verklaring van verbastering van namen invoert.

Was er anscheinend nicht kapiert, ist, daß wir anfänglich Hypothesen aufstellen, die wir dann im synoptischen Vergleich der Texte verifizieren – wo es sich dann herausstellt, daß der Evangelist nicht immer die erwartenden Verwechselungen gemacht hat, sondern auch andere, wie es ihm gerade besser paßte. So macht er zwar den Decimus Iunius Brutus konstant zum Judas, einem von den Zwölf, den Marcus Brutus aber macht er mal zu Malchus, mal zu Barabbas, mal sogar zum Petrus. Die Rolle in der Situation entschied. Wenn unser Konfusionist damit Probleme hat, weil, wenn er schon einfache Dinge nicht versteht, dann bei komplexen völlig ins Schwimmen kommt, ist es etwa unser Problem?
Dann kommt das Altbewährte:

Het is echter mogelijk de inhoud van Marcus eenvoudiger, met minder hypothesen, te verklaren, en wel als bewerking van een oudere traditie die teruggaat op berichten over Jezus als historische persoon.

Worauf dann das Übliche Abgedroschene kommt, was auch einen Mel Gibson erfreuen würde. Tja, schade nur, daß soviele Forscher, ja sogar Theologen, die historische Existenz Jesu bezweifeln. Und zwar seit Jahrhunderten. Schon vor Voltaire. Namensliste bei Albert Schweitzer nachzulesen. Was ist es mit all denen? Hatten sie alle unser Buch gelesen und de Jonge noch nicht? Hoffentlich lesen sie ihn noch, den de Jonge: Vielleicht kommen sie dann noch in den Himmel! Warum heißt es bloß über die Leben-Jesu-Forschung zusammenfassend, daß ihre Geschichte die Geschichte ihres Scheiterns ist? Waren es lauter Idioten, jene, die sich damit befaßt haben? Allons!

Allerdings die ollen Kamellen über die angebliche Anwesenheit vom Namen Jesus bei Tacitus, Sueton und Flavius Josephus – d.h. die Liste der Interpolationen aus ekklesiastischer Hand in die klassischen Texte, um dem allen Historikern unbekannten Jesus post festum eine historische Scheinexistenz zu verleihen –, traut er sich nicht mehr in den Text zu bringen, sondern versteckt er sie in eine Fußnote. Warum? Warum setzt er sich nicht auseinander mit den entlarvenden Argumenten, die gegen jene Mauscheleien von jeher ins Felde geführt wurden, so daß sie komplett demaskiert wurden – und auch von uns ausführlich in unserem Buch (namentlich im Kapitel «Um-Orientierung, Nicht-Christlichen Quellen vor und nach 70»)? Hat er Angst davor, oder will er es nach wie vor nicht lesen? Will er seine Schäflein, die Theologiestudenten, davor schützen?

De theorie van Carotta roept veel meer problemen op dan de theorie die Marcus terugvoert op oudere traditie aangaande een historische persoon Jezus.

Warum? Divus Iulius wurde im Osten des Reichs zu Jesus, wie der Heilige Franziskus für die Brasilianer nicht aus Assisi, Umbrien, kommt, sondern aus Assis, Rio Grande do Sul: Ein waschechter Brasilianer! Wo ist das Problem?
Das Problem ist im Kopf der Leute à la de Jonge. ‘Der Kopf ist rund, damit die Gedanken die Richtung ändern können’ – sagte Picabia. Unser Mann muß einen eckigen haben.

Gepost door: dejister | 15 juni 2014

Een kruis met een mutsje

ft1d5nb0gb_00071

Ahenny, the south cross, Ierland

Heeft iemand zijn muts achtergelaten op dit Ierse kruis? Of is er een andere verklaring? In het evangelie wordt er niet over dit kledingstuk gerept. Er is niet een goede verklaring voor dit fenomeen. Leidt de weg naar Rome?

8f9cb703da501aa21f91ab4fbfaf3543
                                                    Ahenny, Ierland

De pilleus is de Romeinse vrijheidsmuts, het vrijheidsysmbool in het oude Rome. De muts is in oorsprong een antiek icoon. Hier een model uit het oude Griekenland:

220px-Man_pilos_Louvre_MNE1330

depositphotos-com

De pilleus wordt ook vandaag nog gedragen, zoals hier in Kosovo:

images-14

Tot op de dag van vandaag is de pilleus ook nog zichtbaar in de katholieke kerk:

Unknown-3

Ter ere van de moord op Caesar werd door zijn moordenaars de volgende munt geslagen, met in het midden de pilleus, als teken van de herwonnen vrijheid:

170px-Eid_Mar

Francesco Carotta stelt dat op deze munt ter ere van de dood van Caesar, de pilleus de plaats inneemt van het tropaeum waar de wasfiguur van Caesar aan hing. Carotta:

‘This arrangement shows how the portrayal of the Ides of March can become a general symbol of Golgotha. The daggers would be those crucified with him, and the liberty cap of Golgotha itself, with the missing cross in the middle added in the mind’s eye because of its constant presence on the other coins and how it leads one to imagine a view after the deposition from the cross.’ (F. Carotta, 95, e.v. )

Deze symboliek heeft, als propgandatechniek van Brutus c.s, een plek verworven in het Christendom en is versmolten met de dood en lijdensgeschiedenis van Caesar, zoals gememoreerd tijdens zijn rouwplechtigheid. Het verraad, de moord en de dood werd de kern van het Christendom.

De pilleus was ook verbonden met de cultus van Divus Julius.

Zou op een aantal exemplaren van het Ierse High Cross dit vrijheidsteken, duidelijk verbonden met ‘het kruis’, overgeleverd zijn? Het feit dat het om verschillende vormen gaat, die terugvallen op de bestaande modellen van de pilleus, is een indicatie. Ook de suggestie van een los attribuut op het kruis, qua vorm en structuur, wijst in deze richting. We laten een aantal exemplaren, bij wijze van steekproef, de revue passeren.

image3851_med
                                           Ahenny, Kilclispeen, Ierland

Ook het feit dat het hoofddeksel op de kop van het kruis is geplaatst, versterkt het vermoeden dat het om een pilleus gaat. Zie hier de symboliek van het tropaeum:

pic70

Plain Cross web
                                                     Kilkieran, Ierland

image4451_med
                                                        Kilkieran, Ierland

image4861_med

189b050e0

faheen-st.kilkieran02

                                                   Kilkieran, Ierland

clonmacnoise02
                                                   Clonmacnoise, Ierland

Paus Sixtus IV met een ‘ruime’ pilleus in het bijzijn van geestelijken met een kleinere variant:

sixtus4

irish-high-cross-10732987

                                                      Kilkieran, Ierland

Moment tijdens de eerste reconstructie van het bijzettings-ritueel van Julius Caesar, waarin het vrijheidsteken op een tropaeum wordt gezet. (Madrid/Rascafria 2007):

08-1

‘Lady liberty’, het achttiende eeuwse symbool waarin een vogel uit de kooi werd vrijgelaten, als teken dat de VS de onafhankelijkheid kregen. De vrijheidsmuts werd op een staak gestoken:

1-2

Clinton heeft inmiddels zijn pilleus weer gevonden:

images

Vrijheid als godin van de jeugd die de heldhaftige adelaar voedt; Edward Savage 1800:

Abijah Canfield Liberty in the Form of the Goddess of Youth Giving Support to the Bald Eagle, 1800 now at the Henry Ford Museum and Greenfield Village

Gepost door: dejister | 24 mei 2014

De ‘Dream of the Rood’ en de dood van Caesar

10-2

                   “on me are the wounds visible, the open wounds of malice;”

Vercelli document

Omdat de evangelietekst over de kruisiging van Jezus Christus teruggaat op de levensbeschrijving van Caesar,  ligt het voor de hand ook andere oude teksten vanuit dit nieuwe perspectief te herlezen. De Dream of the Rood, met vele vertalingen op internet, stelt nog altijd tot op de dag van vandaag wetenschappers voor raadsels. Is de Dream of the Rood, het oude Angelsaksische religieuze gedicht uit de zevende eeuw, een kandidaat als mogelijke hertaling van delen van de oorspronkelijke Caesar-bijzetting? Het voert op dit kleine blog te ver een wetenschappelijke analyse te plegen. Niettemin kunnen we enkele in het oog springende aspecten kort de revue laten passeren. Het schijnt, zo blijkt uit de wetenschappelijk literatuur, dat de dichter mogelijk bekend moet zijn geweest met de paasliturgie en dat de tekst past in de katholieke traditie van de verering van het kruis. Dat zou een indicatie kunnen zijn om het gedicht vanuit een Romeins perspectief te mogen verklaren. Onderzoekers wijzen tevens op het feit dat het ‘kruis’ als een symbool van overwinning, als een legerstandaard, kan worden gezien. Zien we in deze symboliek de gevoelswaarde van het tropaeum terug? Er is sprake van veel bloed c.q. bloedbad, een groep die het slecht voor heeft met de Christus. We zien een vuur en er is sprake van – in de context van de opstanding – ‘ashrest’.

20b43822-071f-464d-b751-b17b5fe42ad6

1. De dolksteken?

Hoewel de Christus in vertalingen soms als met pijlen doorboord het leven heeft gelaten, doemen in andere vertalingen ook de dolksteken op, ook nog in een ostentatieve context zoals bij Caesar’s wasfiguur: ‘With dark nails they pierced me through, on me the dagger strokes are seen; wounds they were of wickedness.’ (Vertaling bij Stopford A. Brook)

2. De treurzang?

Bij de bijzetting is sprake van een treurzang en wordt de Christus in een graf bijgezet. Er is ook een verwijzing naar goud. ‘Covered with gold.’ Ook bij de bijzetting van Caesar was er sprake van treurzang en lag zijn lijk in een gouden tempel, voordat het werd gecremeerd.

Sna108

3. De draaiing van het tropaeum?

Is het element van het draaiende tropaeum, met daaraan de wasfiguur van Caesar, mogelijk overgeleverd in het gedicht? Stopford A. Brook vertaalt: ‘The I shivered there – when the Champion clipped me round’. De aanblik van het het doorstoken lichaam van Caesar, als wascopie aan een draaiend tropaeum, roept bij toeschouwers ook emotie op. Het Oudengelse ‘ymbclippan’ wordt ook wel vertaald als ‘to encircle surround’. (Iets wat rond cirkelt, ronddraait) Let ook op de dubbele betekenis in de vertaling: ‘circle’ en ‘round’ ) Zie hier een impressie van een Romeins mechaniek:

roman_wheel_chain_gear2

4. Eaxlegespanne?

Zou met het unieke en eenmalige woord ‘eaxlegespanne’ in de oude tekst het oorspronkelijke woord ‘mêchanê’ (bij App.BC 2.146-7) overgeleverd zijn? ‘Mêchanê’ staat voor de ‘mechanische inrichting’ waarmee de wasfiguur aan het tropaeum kon worden gedraaid. Appianus: ‘De mannequin echter, kon met behulp van een mechanische inrichting naar alle kanten worden gedraaid.’ Heeft de dichter de werking van het draaiend mechaniek willen beschrijven door ‘aexle’ en ‘gespann’ zo samen te voegen? Men kan dit woord niet goed thuis brengen en wetenschappers (Michael James Swanton) stellen dat het ‘suggest that the scribe took pains over an unfamiliar word, carefully inflecting the first element like the last.’ De mogelijkheid dat ‘aexle’ (schouders) en ‘gespann’ (een verbindend juk, a joining yoke) kan zijn bedoeld, is natuurlijk plausibel. Maar ‘axle’ mogelijk opgevat als ‘wheel-centre’ is niet eerder aangetroffen voor de dertiende eeuw. Dat maakt dat het mogelijk iets unieks heeft willen beschrijven (hapax legomenon), een ‘draaiend mechaniek’ wellicht. Vraagteken.

5. De zwijgende Jezus?

Het valt wetenschappers ook op dat er geen aandacht is voor het onterende, voor de vernedering. Christus wordt niet belachelijk gemaakt, niet geslagen en bespuugd, zoals in de evangeliën staat beschreven. Jezus schijnt al dood wanneer hij aan het kruis hangt. Hij spreekt niet, er is er geen sprake van een lijden van Christus, die gepijnigd hangt aan een kruis. Van de bijzetting van Caesar weten we dat mimespelers de stem van de wasfiguur tot leven brachten. Is dat gemuteerd tot het kruis dat spreekt? Het kruis wordt immers in het gedicht als een eenheid met Christus gezien? Onderzoekers wijzen ook op het feit dat de Christus is ‘wounded to the point of death’ en er een ‘worsteling’ heeft plaats gehad. En de Christus schijnt daarbij getroffen in zijn rechterzij. Carmen A. Butcher: ‘The former struggle wound inflicted in the right side by those who harm’ in ‘a former struggle of the wretched ones.’ Waar hebben we dat ook gezien? Zie ook de documentaire The Gospel of Caesar.

25

27-1

‘Caesar’ aan het tropaeum. Bezongen in de Dream of the Rood? Vraagteken?

torlon+

Gepost door: dejister | 14 november 2013

Sancerre

P1010298

In Sancerre treffen we elementen aan die verwijzen naar Julius Caesar. Maar toch niet de Caesar die Gallië in de pan heeft gehakt? Was dat een San? Een Sint? Een heilige? Jawel, het moet hem toch wel zijn. Of toch ook niet?

P1010299

Maar al te gretig komt het stadsbestuurlijke vraagteken in beeld bij de beschrijving aan de muur. Hier mogen geen veldheren tot heilige worden verklaard, zeker niet Julius Caesar. Wees gerust: het antwoord is in de tijd verloren gegaan, lost in time, rien ne l’atteste. Zand er over. Wijntje?

P1010300

Maar jongens, het schatert toch van de muren, hier in dit al te lekker lessende stadje? Is hier ooit een ‘Sacrum Coesaris’ geweest of ‘Sacrum Cereris’? Taalkundigen houden het op een complexe etymologische variant, oorsponkelijk Saint Satur geheten. Hier wordt, Goden zijn geloofd in deze kerk, een bacchantische lijn doorgetrokken, Bachus en Ceres, druiven, wijn en koren, die toch de oorsprong moet vinden bij de Romeinen. Zou je denken.

P1010302

P1010303

P1010304

P1010305

En boven de ingang van de kerk, de meerpuntige Sidus Iulium, die zich qua vorm nog eens herhaalt in het hart van het Christus Monogram. Verwarring alom bij schitterend weer.

Gepost door: dejister | 17 oktober 2013

FRANCESCO CAROTTA CONTRE THOMAS FERRIER

images-12

                                                        Thomas Ferrier

http://www.enquete-debat.fr/archives/reponse-de-thomas-ferrier-a-franscesco-carotta-42652

Réponse F.Carotta
Red:JvF

Thomas Ferrier tente de noyer le poisson. Il ne veut pas admettre que si on ne trouve nulle part l’expression Deus Caesar, c’est seulement pour des raisons de syntaxe latine, pas de signification. Je le renvoie à nouveau à Schwering.

Prétendre que César n’ait jamais été considéré un dieu est un mensonge énorme, dont on s’étonne, voir l’oraison funèbre d’Antoine reportée par Dion Cassius (HR 44,37,4), qui dit même déjà auparavant qu’il a été appelé carrément « Jupiter Iulius » (HR 44,6,4). Que les empereurs qui ont été déifiés aient été tous tués, est faux, voir Auguste, Claudius, etc. La seule différence que l’on peut noter c’est éventuellement entre ceux qui se sont fait déifier eux-mêmes de leur vivant, et ceux qui le furent posthumes.

Il croit avoir trouvé un point fort en disant que Jésus, contrairement à César, était asexué. Or aucun fondateur de religions n’est autant entouré de femmes que Jésus. Ce n’est pas par hasard qu’il y a toute une littérature là-dessus, et même une édifiante cinématographie, sur sa relation avec la Madelaine notamment, et que celle avec Nicodème à Béthanie, ou encore avec “le disciple qu’il aimait”, Jean, soit tout aussi en odeur d’homosexualité que celle de César avec Nicomède de Bythinie ou avec son fils adoptif Octavien (voir ce qu’Antoine insinue dans Suétone, Aug. 68).  Il ignore probablement que justement ce milieu là, où agit Jésus et où les femmes sont si libres et ont un rôle si prononcé, pour ne pas dire dominant, est un des faits qui a fait douter les spécialistes des études bibliques que le cadre originaire de l’évangile ait pu être la Judée, où cela aurait été impensable, mais plutôt hellénistique, voir romain.

Quant à cette phrase:
Et laisser penser en outre que nos ancêtres « païens » aient pu prendre un homme pour un dieu, ce qui est le comble de l’impiété à leurs yeux (l’hybris grecque, la superbia latine), c’est les prendre pour des imbéciles.

– elle est simplement grotesque, en vue du fait des nombreux hommes pris par nos ancêtres païens pour des dieux, qu’avant les empereurs romains sont les souverains hellénistiques: Philippe II, Alexandre le Grand, les Antigonides, les Ptolémées + Antoine et Cléopatre, les Seleucides et autres monarches. Pour leur liste je renvoie ici à des auteurs de langue française, pour que tout un chacun puisse le vérifier: Un concurrent du Christianisme: Le culte des souverains dans la civilisation gréco-romaine, par L. Cerfaux et J. Tondriau, Tournai 1957, où on montre bien que celui des empereurs était un vrai culte (avec même Imprimatur de l’autorité ecclésiastique!).

Par contre, s’il y a un pays et un endroit où on ne pouvait pas prendre un homme pour un dieu, c’est justement là où Thomas Ferrier situe Jésus Christ: en Judée, voir P.-L. Couchoud, dans la note 311, en français d’ailleurs, du livre qu’il a rangé dans sa bibliothèque probablement sans l’avoir lue:
P.-L. Couchoud, Le Mystère de Jésus. Paris 1924, p. 84–5: «Dans plusieurs cantons de l’empire déifier un particulier était chose faisable. Mais dans une nation au moins la chose était impossible: c’est chez les Juifs. […] Comment soutenir qu’un juif de Cilicie, pharisien d’éducation, parlant d’un juif de Galilée, son contemporain, ait pu employer sans frémir les textes sacrés où Jahvé est nommé? Il faudrait ne rien savoir d’un juif, ou tout oublier.» […] p. 113: «Il était frivole de s’opposer jusqu’au martyre à l’apothéose de l’empereur pour y substituer celle d’un de ses sujets. […] En tout cas une déification, en milieu juif, même de la Dispersion, reste un fait sans exemple».

La citation finale est plus amusante encore:

Enfin, César a été incinéré, comme les héros, et non mis dans un tombeau, comme Jésus.

Comme si les cendres de César avait été dispersées, et non pas ses os recueillis dûment et mis dans son tombeau au Champ de Mars (voir Dion Cassius 44.51.1–2), et comme si le moment de la Résurrection du Christ ne soit pas justement le feu Pascal, rituel mieux conservé par les Grecs, qui quand le célébrant met le feu au bûcher s’écrient: Christos anesti!, “Le Christ est ressuscité!”.

Et puis ça:

Personne n’a prétendu l’avoir vu en sortir ni n’a affirmé qu’il avait ressuscité.

Dommage seulement qu’il y ait des monuments de l’époque d’Auguste, qui représentent la montée au ciel du Divus Iulius sur l’exemple de celle de Romulus (ou vice-versa), où l’on voit le témoin justement, qui l’indique du doigt (cf. l’autel d’Auguste, Vatican, Museo Gregoriano Profano, dans notre livre fig. 84). (figure à gauche) Dommage aussi qu’on trouve la même représentation dans la plus vieille Ascension du Christ que l’on peut voir dans la nécropole sous Saint Pierre à Rome: (figure à droite)

Unknown

Une autre coïncidence fortuite? Comme le hasard des fois fait bien les choses!

Gepost door: dejister | 27 november 2012

Paradigmawissel als luxe

Opnieuw heeft Francesco Carotta een boek het licht doen zien. Het gaat hier om een bundel herziene en deels in het Duits vertaalde artikelen en voordrachten, waarvan een aantal al eerder is verschenen als wetenschappelijk artikel in andere talen. Nieuw is een artikel over Fulvia, die gezien kan worden als de moeder van het Christendom, de vrouw achter het evangelie van Marcus, achter haar echtgenoot Marcus Antonius. Carotta begint in zijn werk met een logische vraag: is er een verklaring te vinden voor het feit dat Christus enerzijds de waarachtige centrale figuur is van een mondiale cultus, maar dat anderzijds niemand, geen historicus, hem kan traceren en zijn bestaan daarom wordt ontkend?

Carotta slaat een brug tussen deze twee posities. In de traditie van de wiskunde formuleert hij een derde mogelijkheid, die recht doet aan beide standpunten en die hij als hypothese uitvoerig test, taalkundig, archeologisch en historisch. Hij verklaart, met de eenvoudige hypothese dat het Jezusverhaal een verbastering is van delen van de Caesarbiografie, het bestaan van de Christus en het ontstaan van het Christendom. Dan valt ook alles op zijn plaats, zowel qua ontwikkeling van de tekst, de traditie en daarbinnen de liturgie en iconografie. En zo wordt begrijpelijk waarom men Christus maar niet vindt waar men hem zo naarstig zoekt, alle Leben-Jesu-Forschung ten spijt. Wetenschappers, klassiek filologen, zijn het er inmiddels wel over eens dat de vroegste teksten over Christus biografisch zijn, ons iets meedelen over een beroemd persoon. Maar wat dan? Carotta: ‘We bevinden ons zo in de paradoxale positie, een biografie te bezitten die ons niet in staat stelt iets over de hoofdpersoon te weten te komen.’

De luxe van Carotta’s theorie is, dat er zo veel in samenhang kan worden verklaard als het gaat over die oorsprong van het vroege Christendom en de figuur van Christus. Wie die toenemende verklaringskracht van de theorie heeft gevolgd, sedert 1999 bij de uitgave van zijn eerste boek, deelt in die weelde. De telkens nieuwe gezichtspunten en bewijsvoeringen krijgen een precieze plek in een groter geheel van duiding, nieuwe vragen worden voorzien van antwoord. Daarbij leidt de theorie ons naar historische personen en concrete gebeurtenissen die de oorsprong vormen van het Christendom. Zie alleen al de elementen: Zoon van God, gehangen aan het ‘kruis’, de woede van het volk, het verraad van Brutus, de kus als verraderlijk teken, de stoot van Longinus in de zij, Lepidus die zijn handen in onschuld wast, de rol van ‘Marcus’ Antonius, de vrouwen rond Caesar zoals ‘Maria Magdala’ en last but not least Fulvia als de grote regisseur van het bijzettingsritueel na de dood van de Christus. In de nieuwe bundel presenteert Carotta een verdere bewijsvoering over de rol van Fulvia ten tijde van Rome’s drie meest memorabele dagen.

In kennistheoretisch opzicht is het begrijpelijk, maar ook verbazingwekkend, dat met name theologen er maar niets van kunnen bakken. Begrijpelijk, omdat theologie niet zelden een religieus-politieke agenda nastreeft en daarom met deze Umwertung voorlopig niets kan aanvangen. Geen universitaire docent heeft de theorie van Carotta opgenomen in een curriculum als verklaringsvariant van de oorsprong van het Christendom. Maar geen theoloog is tot nu toe ook niet in staat gebleken met goede argumenten de theorie te ontkrachten. Het zwijgen is al te luid.

Verbazingwekkend is wel dat de door Carotta gehanteerde taalkundige methodiek, de linguïstiek, binnen een geheel van algemeen aanvaarde wetenschappelijke analyse, geen voet aan de grond krijgt binnen de theologie, ondanks de universitaire roep om meer interdisciplinair onderzoek. Carotta zelf werkt interdisciplinair, maar dat wordt hem juist tegengeworpen.

Jezus Christus is de schaduw van Caesar. Wij wijzen nog naar de grond en zeggen: ‘Dat is hem’. Maar hij is het niet, hoe diep we ook graven op de plek van de schaduw. Een hondje zou het snappen. De geur leidt immers naar Rome. Arme archeologie die uitgaat van de premisse dat Jezus in voormalig Palestina rondgelopen zou hebben. Geen wonder dat de historische claims niet kunnen kloppen. Die Christus van vlees en bloed was iemand anders, uit een andere tijd, leefde in andere omstandigheden. Zijn betekenis is de wereld ingegaan, diëgetisch getransponeerd. Zoals Brooklyn uit Breukelen, New Zealand uit Zeeland en Zaragoza uit Caesar Augustus. In Harlem moet je ook niet zoeken naar vergane scheepsresten in een rivier de Spaarne, net zomin je een sandaal van een discipel opvist uit het meer van Galilea. Gaius Julius Caesar zijn Nachleben leeft onder ons voort. Zoals zijn veteranen zijn heiligengeschiedenis hebben meegenomen, zoals hij is vereerd in de veteranenkolonies, zoals zijn herschreven en aangepaste heiligenleven het middelpunt werd van de Flavische staatspolitiek. En zoals vroeger de kruistochten naar het heilige graf gingen, zo nu de toeristenstromen naar het Heilige Land.

In die zin is de politiek-religieuze projectie, de getransponeerde geschiedenis van een verraden en omgebrachte Heer die naastenliefde nastreefde en zelfs de vijand lief had, blijvend en actueel. Caesar zijn opvolger Pontifex Maximus de Paus laat het ons nog altijd weten, urbi et orbi. Het verklaart ook waarom de moederkerk in Rome blijft en niet in Jeruzalem het postadres kiest. Laat zien dat op de fundamenten van Romeinse tempels de latere Mariakerken zijn gebouwd. En het maakt begrijpelijk waarom het vroegste bericht over Christus oorspronkelijk in het Latijn is geschreven.

Het evangelie is het gemuteerde verhaal dat onze geschiedenis van Julius Caesar heeft gemaakt in Jezus Christus. Iedere zondag weer. Dat mag een wonder heten.

Francesco Carotta (2012), Artikel und Vorträge. Eine Suche nacht dem römischen Ursprung des Christentums, Kiel: Ludwig, ISBN 978-3-937719-63-4

[PS: inmiddels is er ook een Franse vertaling van het artikel over Fulvia ]

Gepost door: dejister | 19 mei 2012

Nieuwe Testament: oer-joods of oer-romeins?

                             

Brief in het latijn van Paus Johannes Paulus

Op zijn zeer leesbare en interessante blog de Mainzer Beobachter schrijft Jona Lendering:

“Het Nieuwe Testament vermeldt nogal wat Romeinse soldaten. Johannes de Doper wordt gedood door een speculator, een centurio vraagt Jezus om zijn knecht te genezen, Jezus zegt dat zijn Vader hem zo twaalf legioenen van engelen ter beschikking zou stellen, Pilatus had de rang van praefectus en verhoort Jezus in een praetorium (een militair hoofdkwartier), en een Romeinse soldaat erkent als eerste dat de gekruisigde de Zoon van God was. En er is natuurlijk het ontroerende verhaal over de geesteszieke man in Gerasa, die zichzelf Legioen noemt. Daarmee is het Nieuwe Testament een doodnormale joodse tekst. Elke Jood was destijds onder de indruk van de Romeinse strijdmacht.”  

Kun je deze conclusie zo trekken? Zijn de evangeliën van oorsprong Joods of stammen ze eerder uit een Romeinse bron? Francesco Carotta en eerder o.a. Paul-Louis Couchoud gaan er vanuit dat de oertekst oorspronkelijk in het Latijn is geschreven en ze hebben daar linguïstische argumenten voor, o.a. de veelheid aan latinismen met name in de Marcustekst. Carotta over de relatie tussen het Latijn en het Grieks:

“Detailed examinations of the oldest manuscripts—especially the bilingual Latin/Greek—have shown that with Mark the Greek text in fact is dependent on the Latin. And there is still more: the deviations between the readings in the Greek manuscripts are explained best if they are seen as different versions of translation of the Latin text. Also the fact that the Church Fathers—demonstrably Clement, Irenaeus and Justin—cite the Latin Mark, which they translate ad hoc into Greek, speaks for the priority of the Latin version. Thus, the findings of modern textual research compel us to take the old tradition about Mark seriously: the road leads to Rome.”

(noten in origineel)

Mocht Carotta gelijk hebben – tot nu toe is zijn theorie wel positief ontvangen (maar niemand heeft de theorie met geldige argumenten kunnen verwerpen)  – dan is het evangelie eerder geschreven dan in de periode waarin verondersteld wordt dat een Jezusfiguur over het water zou hebben gelopen.

Cambridge, University Bibl., Nn. 2, 41 · (Codex Bezae, D) · fol. 288V/289R: Marc. 1:38-2:5 (graec./lat.) Cf. Vogels (1929) Tab. 18/19 Zie ook een repliek qua andere positie in het debat: hier

Gepost door: dejister | 17 mei 2012

Een warme worst te Keulen

VideoLectures79d68761fc05f9eeaef8d97845179220

Te Keulen ontmoeten we Dietrich, de zoon van de theoloog Ethelbert Stauffer. Dietrich Stauffer is een vrolijke man met een open karakter.  Type: theoretisch natuurkundige in een t-shirt. Hij troont ons mee naar zijn belangrijke plek. Want eenmaal op het station moet er een bezoek worden gebracht aan de warme worst-verkoper. Stauffer memoreert de dag van zijn sollicitatie aan de Universiteit van Keulen. Die dag heeft hij hier zijn tanden in de worst gezet en zo is sinds zijn benoeming er een directe relatie tussen deze vleeswaar en deze plek. Alle gasten die hij van het station haalt worden sindsdien ook onderworpen aan deze carnivore causaliteit. We smullen dat het een lieve lust is.

21JkWBsoBuL._AA160_

We komen te spreken over zijn vader die veel onderzoek heeft gedaan naar de relatie tussen het vroege Christendom en de Romeinse godenwereld. Stauffer heeft aangetoond dat de dood van Caesar en de rituele nasleep daarvan, overeenkomsten vertoont met het lijdensverhaal van Jezus Christus. Hoewel Stauffer vasthield aan een levende Jezus, zag hij de dood van Caesar terug in de latere Christelijke traditie. Zoon Stauffer leest in de documentaire een fragment voor uit het werk van zijn vader, waar het gaat over Caesar zijn post mortem:

‘Rouwrituelen bij lijdende en stervende goden zijn er in de klassieke oudheid altijd geweest. Maar hier zijn deze lijdensgevoelens verbonden met de gewelddadige dood… van een mens van vlees en bloed. En deze mens is de moedigste politicus die de oudheid ooit heeft voortgebracht. Het politieke evangelie van zijn vergeving wordt bij het verdriet om zijn lijden en dood… tot een aanklacht en roep om gerechtigheid. Hier is 75 jaar voor de dood van Jezus vooruitgelopen op bepaalde motieven die later een grote betekenis krijgen in de Goede Vrijdag-liturgie van de Roomse mis.’

Daniele Crespi, Piëta, 1590 – 1630

Gepost door: dejister | 11 maart 2012

om mani padme hum

In de werkelijk schitterende documentaire Die Salzmänner von Tibet, geregisseerd door Ulrike Koch, komt een Tibetaanse vrouw voor die een oud lied ten gehore brengt. Ze zingt:
The god of Victory in the body of man,
 
King Cesar,

looked at the warriors,

with the eyes of the rulers and the merciful

and he gave them the initiation

of the ninefold vajra,

and the transformation of the soul.

Finally the great King Cesar

raised his devine voice

ans sang the song

of the conquest of the twelve salt lakes

of the capture of Yulha

and the subjugation of Jang

OM MANI PADME HUM.

( in Engelse vertaling)

De vrouw zingt een deel uit het het zogenaamde Epos van koning Gesar, het belangrijkste heldendicht van Tibet en omstreken. Het gaat over de onbevreesde koning Gesar, heerser over het legendarische koninkrijk Ling. De verwikkelingen in het epos laten zich soms ten dele spiegelen aan de gebeurtenissen ten tijde van Julius Caesar, rivaliteit met een grote familiaire tegenstrever, Gesar als zoon van God, en het opduikende begrip P(h)rom, wat op Rome zou kunnen slaan, de drie legertenten die een een verwijzing zouden kunnen zijn naar de politiek van de triumviraten. Allemaal het uitzoeken waard. Opvallend is wel dat de start van de ontwikkeling van de legende rondom Gesar of Ling een halve eeuw na de dood van Caesar , en een paar jaar na de dood van Caesar Augustus, wordt gesitueerd. Jiangbian Jiacuo:

“The origin, development, and evolution of Gesar has undergone several important stages.  It took shape in a historical period when Tibetan clan society started to fall apart and the state power of slavery was forming.  This period fell between the birth of Christ and fifth to sixth century CE.  During the reign of the Tubo Dynasty, or the seventh to ninth centuries, Gesar gradually took shape.  The epic further developed and spread after the collapse of the Tubo Dynasty, or tenth century CE. “

Gesar of Ling

Hoe het ook moge zijn, op een of andere manier zijn hier elementen van Romeinse geschiedenis (-beschrijving) verweven met teksttradities far away. Diëgetische transpositie? Verwijst deze oersong, die in de vroegste periode oraal is overgeleverd, inderdaad  naar Caesar? Of wellicht eerder naar Augustus? Meegevoerd op de tongen en verklankt door de kelen van reizigers op zijderoutes? Opvallend is ook de laatste uitdrukking  OM MANI PADME HUM, als slot van dit lied. Deze  geldt als de meest gereciteerde mantra in het Tibetaans boeddhisme. De betekenis van deze mantra heeft tot veel speculaties geleid en een stroom aan wetenschappelijke publicaties het licht doen zien.  De mantra bestaat in verschillende varianten, zoals ‘Oṃ maṇi padme hūṃ mitra svāhā’ of  ‘Oṃ vajra yakṣa maṇi padme hūṃ.’ Nog altijd is de oorsprong ervan omhuld met vraagtekens en werkhypothesen. Zou deze mantra een verkorte verbastering van het ‘ In nomine patris et filii et spiritus sancti, amen’  kunnen zijn? IN NOMINE PATRIS AMEN > OM MANI PADME HUM . (Wordt vervolgd.)

Gepost door: dejister | 4 februari 2012

De derde dag…

Francesco Carotta tijdens een lezing bij Selexys, Broese en Keming te Utrecht.

Francesco Carotta en Arne Eickenberg hebben een nieuw artikel op Carotta’s website geplaatst. (ook hier) Het gaat over  de historische datum van het bijzettingsritueel van Julius Caesar. Tot op heden hebben bijna alle moderne historici aangenomen dat Caesar’s crematie heeft plaatsgehad ten vroegste op 20 maart 44 v.Chr. Echter, klassieke geschiedschrijvers zoals Appianus, Suetonius, Cassius Dio, Nicolaus van Damascus en Plutarchus zongen in koor over de 17e maart als de juiste historische datum. Hoe is het mogelijk dat de klassieke bronnen allen reppen van de 17e maart, terwijl de latere historici andere dateringen aanhouden? De aanname van een latere datum dan de 17e is gebaseerd op een foutieve chronologie van de gebeurtenissen na moord op Caesar, die oorspronkelijk werd gepubliceerd in 1922 door de historici Wilhelm Drumann en Paul Groebe. Drumann ontwikkelde zijn oorspronkelijke chronologie zonder kennis te hebben van de Bios Kaisaros van Nicolaus van Damascus. De Duitse Wikipedia over Caesar maakt gebruik van de meest voorkomende foutieve data: 20 maart. Carotta en Eickenberg stellen vast dat Caesar werd gecremeerd en opgewekt, als Romeinse godheid,  op vrijdag de 17e maart 44 v C, op de Liberalia. Dit gebeurde twee dagen na de idus (15e) van maart, op de derde dag dus. Na een volledige weerlegging van de binnen de wetenschap vigerende dateringen wordt in dit artikel een herdatering van Caesar zijn uitvaartceremonie gepresenteerd ten tijde van de Liberalia, het feest van Liber Pater, een Romeinse god die werd vereenzelvigd met Bacchus (Dionysus).

Hier het artikel in Print
Hier het artikel in het Duits

Francesco Carotta na een lezing bij Selexys, Broese en Keming te Utrecht.

Older Posts »

Categorieën